Wacht am Rhein; Operation "Herbstnebel"

Het plan van Hitler zag er in grote lijnen als volgt uit:

De 5e (in het midden) en 6e (in het noorden) SS-Panzerarmee moesten op het uur U de Amerikaanse linies doorbreken. De flanken van deze legers moesten worden gedekt door eenheden van het de 7e (in het zuiden) en 15e Armee (in het noorden).

De 15e Armee, onder bevel van General Gustav Von Zangen, moest in het noorden de Amerikaanse troepen van het VII Corps en de Amerikaanse 9th Army beletten zich in de strijd te mengen.

De 6e Panzerarmee, onder bevel van Oberstgruppenführer Josef Dietrich, moest naar Antwerpen oprukken om de haven in te nemen. Daarna moesten zij verder oprukken om de geallieerde legers in het noorden te isoleren.

De 5e Panzerarmee, onder bevel van General Hasso von Manteuffel, moest na het doorbreken van de Amerikaanse linies verder oprukken, de Maas oversteken en Brussel innemen om zo de flank van de 6e Armee te dekken.

De 7e Armee der Infanterie, onder bevel van General Erich Brandenberger, moest het Groothertogdom Luxemburg innemen en vervolgens verder oprukken om de zuidflank van de 5e Panzerarmee te dekken.

De opmars van de 6e Armee moest worden versneld door een tweetal speciale operaties. Er zou een groep parachutisten, onder bevel van Leutnant-Kolonel Friedrich von der Heydte landen bij Verviers (Operatie Stösser). Hun taak was om enkele belangrijke verkeersknooppunten in te nemen. Ook zou er een speciale eenheid, de 150e Brigade onder bevel van Obersturmbannführer Otto Skorzeny, de bruggen bij Amay en Huy innemen. Zij zouden uitgerust zijn met Amerikaanse uniformen en voertuigen (Operatie Greif). Na het innemen van de bruggen moesten zij zoveel mogelijk onrust zaaien onder de geallieerde troepen in de Ardennen. De aanval zou volgen op een hevige, maar korte artilleriebeschieting. Gedurende de operatie zouden Luik en Antwerpen worden bestookt met V1- en V2-raketten. Uur U was vastgesteld voor 5:30 op 16 december. Antwerpen moest op 23 december in Duitse handen zijn.
Aangezien de krachtsverhouding tussen de geallieerde en Duitse legers in het nadeel van de Duitsers uitviel, moest de aanval een complete verrassing zijn. Om deze reden werd de operatie strikt geheim gehouden. Slechts enkele hoge officieren werden door Hitler vooraf op de hoogte gesteld. Berichten met betrekking tot de operatie mochten alleen mondeling worden overgebracht zodat zij niet door de geallieerden konden worden onderschept. Er werden berichten naar de geallieerden gelekt over een op handen zijnde tegenaanval die een geallieerde opmars tussen de Roer en Rijn moest tegenhouden. Een concentratie van Duitse troepen zou om deze reden niet al te veel opvallen. Zelfs de naam van de operatie, ‘Wacht am Rhein’ werd gebruikt als misleiding. Dit moest doen denken aan een defensieve actie.

Kanttekeningen
Veel Duitse commandanten waren het niet eens met het plan van Hitler. Velen vonden het te ambitieus, of zelfs geheel onrealistisch. Walter Model, Gerd Von Rundstedt en Hasso Von Manteuffel hadden alle drie hun twijfels over de brandstof die nodig was. Ze vroegen zich af of er wel zoveel brandstof op tijd bij elkaar gekregen kon worden. Hun zorgen over de brandstof bleken gegrond. Hitler had Generalfeldmarschall Wilhelm Keitel de taak toegewezen om de benodigde brandstof, 28 miljoen liter, te verzamelen. Hij wist inderdaad de 28 miljoen liter bij elkaar te krijgen, maar slechts de helft hiervan bevond zich op de westoever van de Rijn. De rest bevond zich nog in voorraaddepots. Von Manteuffel had meer kanttekeningen bij het plan van Hitler. De oorspronkelijke dag van het begin van het offensief was 25 november, maar op zijn aandringen werd dit 10 december. Later werd dit nog eens verzet naar de 14e. Ook werd de tijd tussen de artilleriebeschieting en de infanterieaanval verkleind. Hier zou eerst 3,5 uur tussen zitten, zodat de Luftwaffe de hoofdkwartieren in de Ardennen kon bombarderen. Dit leek Von Manteuffel nutteloos, omdat het de verrassing uit de aanval zou halen. Dit verrassingselement was cruciaal aangezien de Duitse infanterie niet meer zo goed was als in de eerste jaren van de oorlog en omdat het door Hitler opgestelde tijdschema erg krap was voor een operatie op een dergelijk moeilijk te doordringen terrein als de Ardennen. Von Manteuffel zei later over het plan: “Het leek mij in meerdere opzichten dwaas.”
Dergelijke uitspraken werden door verscheidene Duitse commandanten gedaan. Zij illustreren het wantrouwen dat zij hadden in een goede afloop van de operatie. Zo zei Feldmarschall Gerd von Rundstedt, die van mening was dat er veel meer divisies nodig waren om de Maas te bereiken: “Het was duidelijk dat de beschikbare troepen veel te gering in aantal waren. Maar ik was er intussen al achtergekomen dat het zinloos was om bij Hitler de haalbaarheid van iets te betwisten.”

De twijfels van de Duitse commandanten werden misschien nog wel het beste verwoord door SS-Obergruppenführer Josef Dietrich: “Alles wat Hitler van me wil is dat ik een rivier oversteek, Brussel verover en dan verder optrek en Antwerpen inneem. En dat allemaal in de slechtste periode van het jaar, en door de Ardennen als de sneeuw heupdiep is en er geen ruimte is om vier tanks voorop te plaatsen, laat staan om pantserdivisies in te zetten. Een periode dat het om 8 uur nog niet licht is en om 4 uur alweer donker en dat met hervormde divisies, voornamelijk bestaande uit jochies en zieke oude mannen – en met Kerstmis.”

Op 15 december 1944 om half vier in de middag gaf het Duitse hoofdkwartier bevel om tot de uitvoering van het tegenoffensief over te gaan. Er hadden zich dertien infanteriedivisies, vijf pantserdivisies en een groot aantal ondersteunende eenheden verzameld voor deze aanval. In totaal zouden ruim 200.000 manschappen aan de operatie deelnemen. Het duurde vrijwel de gehele avond en nacht totdat iedereen zijn posities had bereikt. Daar wachtte iedereen op het uur U. Pas in oktober 1944 wisten de Duitse legers een coherent front ten westen van de Rijn te bewerkstelligen. De planning van een offensieve operatie liet vervolgens niet lang op zich wachten. Voor de gelegenheid werd Josef Dietrich belast met de inrichting van een nieuw pantserleger dat moest gaan dienen als operationele reserve voor een toekomstige aanval in het westen. De  6e  SS-Panzerarmee van de voormalige commandant van de Leibstandarte moest gaan bestaan uit opgefriste SS-pantserdivisies aangevuld met Wehrmacht en Luftwaffe eenheden.
Hitler had in het najaar van 1944 operatie Wacht am Rhein voorbereid. Het plan omvatte een grote aanval door de Belgische Ardennen met als doel de herovering van Antwerpen. Door op te rukken naar die havenstad zouden de geallieerde troepen ten noorden van de lijn Antwerpen-Brussel-Luxemburg afgesneden en vernietigd kunnen worden. De 6e SS-Panzerarmee van Dietrich zou de hoofdrol krijgen. Het moest vanuit de Eifel door het Amerikaanse front breken, oprukken naar de Maas en daar een bruggenhoofd veilig stellen. De SS-generaal achtte de Duitse strijdkrachten niet in staat de operatie tot een succes te brengen. Wehrmacht generaals als Gerd von Rundstedt, Walter Model en Hasso von Manteuffel waren het met hem eens en probeerden Hitler te overtuigen van een beperktere operatie in de buurt van Aachen.
De 1e SS Panzerdivision Leibstandarte SS Adolf Hitler vormde met de 12e SS Panzerdivision Hitlerjugend als 1e SS Panzer-Korps de belangrijkste aanvalsmacht van de 6e SS-Panzerarmee. Door het matige wegennet kon de Leibstandarte niet als geheel ingezet worden. De opmars werd ondernomen in vier Kampfgruppen. Het offensief was vooral het verhaal van de LSSAH Kampfgruppe Peiper, geleid door SS-Obersturmbannführer Joachim Peiper. De groep, bestaande uit 5000 man van het eerste bataljon van het 2e  SS Panzergrenadierregiment, SS Verkenningsbataljon, artillerie, luchtafweergeschut, pioniers, genietroepen en diensten, vormde de speerpunt van de 6e SS-Panzerarmee. De aanvalsroute van de verschillende Kampfgruppen was vooraf precies vastgesteld door Hitler. Bedreigingen van de flanken moesten worden genegeerd. Hoewel de 1e SS divisie was uitgerust met de meest moderne tanks, had Hitler echter verzuimd te zorgen voor adequate en regelmatige brandstoftoevoer. De pantsercolonne moest zich bovendien een weg banen door moeilijk begaanbaar terrein (beboste heuvelruggen, riviervalleien). De Battle of the Bulge in de sector van de Leibstandarte laat zich samenvatten als een strijd om brandstof en bruggen. Een chaos met tientallen fronten en honderden schermutselingen.

De 6. Panzer-Armee was het best bewapende van al de eenheden die deelnamen aan wat later het Ardennenoffensief zou worden genoemd. Dietrich verwachtte de Amerikanen gemakkelijk te kunnen overrompelen, gezien zijn plaatselijke overmacht van zes tegen één op de zwaartepunten van de aanval. Hij had er het volste vertrouwen in dat op het einde van de derde dag van het offensief de Maas wel zou bereikt worden. Het LXVII Korps kreeg als taak de noordelijke flank van het 6. Panzer-Armee te dekken. Door de beboste heuvels van de Hoge Venen te bezetten, waardoor slechts enkele bruikbare wegen liepen, zouden de toegangswegen vanuit het noorden geblokkeerd worden. In het zuiden moest het I. SS Korps met zijn drie infanteriedivisies gaten slaan in de Amerikaanse lijnen om zich daarna links op te stellen van het LXVII Korps. De pantsereenheden van het I. SS Korps en het achteropkomende II. SS Korps zouden dan naar het westen en noordwesten ongehinderd moeten kunnen oprukken, gedekt door de vijf infanteriedivisies die een geallieerde tegenaanval vanuit het noorden konden blokkeren. Drie typische terreinkenmerken waren van cruciaal belang voor “Sepp” Dietrich: “Elsenborn Ridge”, de “Losheim gap” en de heuvels van de Schnee-Eifel. Het door de Amerikanen genoemde “Elsenborn Ridge” betrof een reeks heuvelruggen, zuidelijke uitlopers van de Hoge Venen.
Twee geplande opmarsroutes liepen hierdoor, Rollbahn A en B. Rollbahn B was gepland over een weg te lopen doorheen het bos, “Weisserstein trail” genoemd en Rollbahn C liep iets ten zuiden van de deze natuurlijke hindernis over het kruispunt Losheimergraben, Büllingen en Bütgenbach. De 277. Infanteriedivision zou de oostelijke verdedigingsstellingen van “Elsenborn Ridge” aanvallen. De 12. SS Panzerdivision zou dan, na een geslaagde doorbraak uit het bosrijke gebied, naar het westen oprukken over verharde wegen. Meer naar het zuiden lag de “Losheim Gap”, militair gezien een ongelooflijke naderingsweg, bestaande uit zacht glooiende heuvels en goede wegen. Deze opening, gelegen tussen “Elsenborn Ridge” en de “Schnee-Eifel”, loopt van het noordoosten naar het zuidwesten. Het 6. Panzer-Armee zou met de 12. Volksgrenadierdivision en de 3. Fallschirmjägerdivision het noordelijke gedeelte van deze opening aanvallen. Hier lagen de Rollbahnen D en E.

Aanvankelijk werden volgende eenheden verspreid over de vijf Rollbahnen:

Rollbahn A: Dit was de meest noordelijk gelegen weg. Vertrekkend van aan de Hollerather Knie liep deze weg doorheen het Dreiherrenwald en Forst Rocherath naar de tweelingdorpen Rocherath en Krinkelt. Langs hier zou één bataljon van het SS Panzergrenadierregiment 25 oprukken om zo contact te maken met de parachutisten van Oberstleutnant “Freiherr” Von Der Heydte die ter gelegenheid van de operatie “Stösser” zouden worden gedropt om de kruispunten in de nabijheid van de Baraque Michel in te nemen en zo eventuele Amerikaanse versterkingen vanuit het noorden tegen te houden. (De eerste weg bevond zich iets voorbij de bocht in de grensweg (Strassenknie) nabij Hollerather Knie. Het was een verharde zandweg die door de Duitsers als Rollbahn A werd aangeduid en liep tot aan Ruppenvenn.)

Rollbahn B: Deze weg liep vanuit de richting Udenbreth, Duitsland in het oosten over Weisserstein naar Mürringen, Bütgenbach en Spa tot aan Flémalle aan de Maas. Hij volgde de Edesbach om dan tevoorschijn te komen langs de westkant van Forst Rocherath in meer open terrein. SS Kampfgruppe Müller kreeg deze weg toebedeeld. De gevechtsgroep van Sturmbannführer Siegfried Müller bestond uit het SS Panzergrenadierregiment 25 zonder dat ene bataljon dat langs Rollbahn A moest oprukken, SS Panzerjägerabteilung 12, een afdeling artillerie en één Pionierkompanie. (De tweede weg bevond zich ten noorden van Udenbreth. Deze liep doorheen het bos van aan de “International Highway” richting westen tot aan Mürringen. Deze weg werd door de Amerikanen de “Weisserstein trail” genoemd. Dit was voor de Duitsers Rollbahn B. De weg liep door het bos, evenwijdig met de Edesbach, richting Mürringen.)

Rollbahn C: Verschillende Kampfgruppen van de 12.SS Panzerdivision moesten hierlangs. Eerst kwam de Kampfgruppe Kühlmann met het SS Panzerregiment 12, de schwere Panzerjäger Abteilung 560, een bataljon Panzergrenadiers van het Panzergrenadierregiment 26, een groep Sturmgeschütze en een Pionierkompanie. Vervolgens de Kampfgruppe Bremer met de versterkte SS Panzer Aufklärungsabteilung 12 en de Kampfgruppe Krause met SS Panzergrenadierregiment 26 minus één bataljon dat aan Kampfgruppe Kühlmann was toebedeeld, een afdeling artillerie, Nebelwerfer, luchtafweereenheden en genietroepen. Ook de staf van de Panzerdivision moest hierover. Rollbahn C liep over het kruispunt Losheimergraben naar Büllingen en Malmédy tot aan Engis aan de Maas. (De derde weg was het meest bruikbaar. Hij liep doorheen het bos van Losheim naar Losheimergraben, Honsfeld en Mürringen. Losheimergraben was een grenspost en bestond slechts uit enkele douanewoningen in de nabijheid van een kruispunt.)

Rollbahn D: Eerst kwam de Kampfgruppe Peiper en daarna die van Obersturmbannführer Rudolf Sandig met het SS Panzergrenadierregiment 2 minus één bataljon dat bij Kampfgruppe Peiper was ingedeeld, een afdeling artillerie, luchtafweereenheden van de 1. SS Panzerdivision en genietroepen. Over deze Rollbahn moeten ook de staven van de 1. SS Panzerdivision en het I. SS Panzerkorps oprukken. Deze weg liep over Losheim, Lanzerath, Amel en Ligneuville in de richting van Trois Ponts en verder naar Amay aan de Maas. -

Rollbahn E: Over deze Rollbahn zou de Kampfgruppe rijden van SS-Standartenführer Max Hansen met het SS Panzergrenadierregiment 1, SS Panzerjäger Abteilung 1, artillerie en een Pionierkompanie gevolgd door Kampfgruppe Knittel met een versterkte SS Panzer Aufklärungs Abteilung 1. Rollbahn E liep over Manderfeld, Andler, Born en Vielsalm naar Huy aan de Maas. Uit het verdere verloop van de gevechten zal blijken dat niet aan het initiële plan kon gehouden worden. De toegewezen wegen waren niet altijd op tijd vrij en sommige eenheden zouden al eens van hun opgelegde marsroute moeten afwijken.

De spits van de 1ste SS-pantserdivisie divisie werd gevormd door een gevechtseenheid onder leiding van Joachim Peiper. Deze 29 jarige ontwikkelde jongeman kwam uit een familie van militairen en is een modelvoorbeeld van de SS-cultuur. Peiper kende de overste Sepp Dietrich goed, want hij had onder hem gediend in Rusland toen Dietrich bevelvoerder was van de 1ste SS-pantserdivisie Liebstandarte Adolf Hitler.

In 1943 werd Dietrich gevraagd de 302de infanteriedivisie te hulp te schieten, terwijl hij zelf de handen vol had aan de Russen bij de Donetslinie. Hij maakte echter een pantsergrenadierbataljon vrij onder het bevel van Peiper , en droeg hen op de 302de infanteriedivisie te gaan bevrijden. Peiper passeerde de Donets, sloeg alle tegenaanvallen van het Rode Leger af en maakte contact met de 302de. Beide formatie trokken terug naar de Donets, en de infanterie kan veilig oversteken. Peiper bleef achter omdat het ijs te dun was voor zijn halfrupsvoertuigen. Hij reed met zijn bataljon door de Rode legers en vond een brug die sterk genoeg was om zijn wagens naar de overkant te rijden. Hij kreeg hiervoor het Ridderkruis. Voor Herbstnebel leidde Peiper mededogenloze kleine eenheden die maximaal geweld gebruikte.
Daaraan dankte hij zijn commando over Kampfgruppe Peiper, 5800 man sterk uitgerust met 72 Pzkw-IV’s en 30 Pzkw’s-VI Königtigers. Deze Königtigers wegen 68 ton per stuk en zouden aan het eind van de colonne rijden tot de openvlakte van de Maas. Daarbij beschikte Peiper over 5 luchtdoeltanks, zo’n 25 aanvalskanonnen, een artilleriebataljon met voortgetrokken 105-mm-houwitsers, een bataljon SS-pantsergrenadiers, ongeveer 80 halfrups voortuigen, enkele verkenners en twee compagnieën genie. Aan Peipers gevechtstroep waren 4 ‘Greif’-commando’s toegevoegd. Kortom, Peiper leidde een aardige krijgsmacht. Peiper kreeg op 13 december zijn orders voor de operatie Herbstnebel. Hij was niet in zijn sas met de route die hij zou moeten nemen. Volgens hem was het geen weg voor tanks maar voor fietsen. Zijn protesten werden tot zwijgen gebracht toen hem werd meegedeeld dat de weg door de Führer zelf gekozen was.
Er kwam nog een andere verrassing voor Peiper. De twee treinladingen benzine die bedoeld waren voor de 1ste pantserdivisie waren niet op het verzamelpunt gearriveerd, dus hij zou het moeten doen met buitgemaakte benzine van de Amerikanen. De dagorder die Peiper kreeg bevatte een bevel dat het begin van Herbstnebel gepaard moest gaan met een golf van ‘terreur en angst’. Bovendien moesten de krijgsgevangenen moesten worden doodgeschoten ‘waar de plaatselijke gevechtsomstandigheden dat vereisten.’ Op de openingsdag van Herbstnebel stond Peiper te popelen om de bliksemdoorbraak te forceren waar hij zo beroemt om stond. Helaas voor hem waren er enorme verkeersopstoppingen bij de Losheim-doorgang, waar een brug op was geblazen door terug trekkende Duitsers, en wat bij de planning van Herbstnebel over het hoofd was gezien.


Onze partners




Meer links

Please download Flash Player 10 or higher to view this content.

398414 views Battletours, Ardennen offensief
cron