11. Memorial Day
Memorial Day is een Amerikaanse feest- en gedenkdag, gehouden op de laatste maandag in mei, waarop Amerikaanse militairen die tijdens hun dienstperiode de dood vonden, worden herdacht.

De gedenkdag begon na de Amerikaanse Burgeroorlog om de doden die voor de Unie stierven tussen 1861 en 1865 te eren. Na de Eerste Wereldoorlog werd de herdenking uitgebreid om allen die voor hun land het leven hebben gelaten in militaire dienst te herdenken. De precieze geschiedenis over het ontstaan van deze herdenkingsdag is onduidelijk. Algemeen aangenomen wordt dat een eerste viering plaatsvond in 1868, toen nog Decoration Day geheten omdat de graven van de gevallenen met bloemen gedecoreerd werden.
Traditioneel vindt de nationale herdenking plaats op Arlington National Cemetery nabij Washington D.C.. Ook is het de gewoonte om de vlag halfstok te hangen vanaf zonsopkomst tot 12 uur in de middag. Veel Amerikanen bezoeken één van de Nationale Begraafplaatsen waar oorlogsdoden liggen. Ook worden de graven vaak van een klein Amerikaans vlaggetje voorzien. Zo plaatsen 1200 soldaten van het 3rd US Infantry vlaggetjes op alle, ruim 260.000, graven op Arlington en voeren vervolgens een 24-uurspatrouille uit op de begraafplaats. In Nederland worden de doden herdacht op de Netherlands American Cemetery in Margraten. Memorial Day wordt ook wel gezien als het onofficiële begin van het zomerseizoen en er worden vaak sportieve evenementen georganiseerd rondom Memorial Day, zoals de jaarlijkse Indianapolis 500 autorace. Geschiedenis Vele steden in de Verenigde Staten claimen de titel "Birthplace of Memorial Day" waaronder Boalsburg in de staat Pennsylvania, Waterloo in de staat New York, Charleston in de staat South Carolina, Carbondale in de staat Ilinois, Columbus in de staat Mississippi en nog vele anderen. Een van de oudste verhalen over het ontstaan is afkomstig uit Boalsburg, een plaatsje in Midden-Pennsylvania. In oktober 1864 plukten Emma Hunter en haar vriendin Sophie Keller bloemen om het graf op te luisteren van Dr. Reuben Hunter, de vader van Emma. Hunter was overleden aan gele koorts tijdens zijn werk in een militair ziekenhuis in Baltimore. Onderweg naar de begraafplaats ontmoetten zij Elizabeth Meyers, wier zoon Amos was gesneuveld op de derde dag van de Slag bij Gettysburg. Meyers sloot zich bij het tweetal aan en gezamenlijk verfraaiden zij beide graven. Daarna besloten zij het volgend jaar terug te komen en dan niet enkel voor beide graven, maar ook die van andere gesneuvelden voor wie geen nabestaanden waren om hun herinnering in ere te houden. Bij het bespreken van de plannen met anderen werd besloten er een dorpsaangelegenheid van te maken op de nationale feestdag, de "4th of July". Aldus werd op 4 juli 1865 elk graf getooid met bloemen en vlaggen en het werd vervolgens een jaarlijks terugkerend evenement. Een andere verklaring omtrent het ontstaan van Memorial Day betreft de herbegraving in 1865 door bevrijde slaven in Charleston, South Carolina, van overleden krijgsgevangen van de Unie vanuit een massagraf naar individuele graven. Naar verluidt zouden zij drie jaar later zijn teruggekeerd om ter herinnering de graven te verfraaien. Op 25 april 1866 kwam in Columbus, Mississippi, een aantal vrouwen bijeen om de graven van gesneuvelde soldaten op te luisteren. Vier dagen later hield ex-generaal John Logan een toespraak bij een herdenkingsevenement te Carbondale, Ilinois. Logan, een vooraanstaand voorvechter voor de herinneringsdag, was de National Commander van de Grand Army of the Republic, een grote organisatie van veteranen van de Union. Op 5 mei 1868 werd een herinneringsdag gehouden in Waterloo, New York. Toen een plaatselijke notabele, generaal John Murray, hem daarover inlichtte, riep Logan op tot de invoering van een landelijke jaarlijkse "Decoration Day". Als datum koos Logan 30 mei, een dag die met geen van de vele veldslagen uit de Burgeroorlog verband hield. In het Noorden vond de nieuwe herdenkingsdag snel veel naleving, anders dan in het Zuiden, waar nog veel ressentiment heerste jegens de Noordelijke overwinning. Meerdere staten stelden eigen dagen vast voor het eren van de gesneuvelden van de Confederatie. In mei 1966, werd door president Johnson de titel "Birthplace of Memorial Day" toegekend aan Waterloo, NY. Aanvankelijk werd de dag niet gevierd in de Zuidelijke Staten. In 1882 werd de benaming "Memorial Day" voor het eerst gebruikt, maar pas na de Tweede Wereldoorlog werd ze algemeen gangbaar. De dag richtte zich op de herinnering aan de Burgeroorlog tot kort na de Eerste Wereldoorlog, toen de aandacht verruimd werd naar alle gevallen Amerikanen in alle oorlogen. Na deze uitbreiding werd de dag ook steeds vaker gevierd in de Zuidelijke Staten.


12. The commanders and nicknames of the American divisions on 16 December 1944
Supreme Commander: General Dwight D. EISENHOWER
12th Army Group: Lieutenant General Omar N. BRADLEY

I - 1st Army: Lt. Gen. Courtney H. HODGES

a) VII. US-Corps: Lieutenant General Lawton G. COLLINS
1st Inf.Div.("The Big Red One"-"The Fighting  First"  Maj.Gen.C.ANDRUS   
104th Inf.Div.("Timberwolf"): Maj.Gen.T.ALLEN
9th Inf.Div.("The Varsity"): Maj.Gen.L.A.CRAIG   
3rd Arm.Div.("Spearhead"): Maj.Gen.M.ROSE
83rd Inf.Div.("Thunderbolt"-"Ohio"): Maj.Gen.R.C.MACON   
5th Arm.Div.("Victory"): Maj.Gen.L.E.OLIVER

b) V. US-Corps: Major General Leonard T. GEROW
2nd Inf.Div.("Indian Head"): Maj.Gen.W.M.ROBERTSON   
78th Inf.Div.("Lightning"): Maj.Gen.E.P.PARKER
8th Inf.Div.("Golden Arrow"): Maj.Gen.D.A.STROH   
99th Inf.Div.("Checkerboard"-”Battle Babies"): Maj.Gen.W.E.LAUER

c) VIII. US-Corps: Major General Troy H. MIDDLETON
4th Inf.Div.("Ivy"-"Famous Fourth"): Maj. Gen.R.0.BARTON   
106th Inf.Div.("Golden Lion"): Maj.Gen.A.W.JONES
28th Inf.Div.("Keystone"-"Bloody Bucket"): Maj.Gen.N.D.COTA   
9th Arm.Div.("Phantom"): Maj.Gen.J.W.LEONARD

II - 3rd Army: Lieutenant General George S.  PATTON Jr.

a) XX. US-Corps: Major General Walton H. WALKER
5th Inf.Div.("Red Diamond"): Maj.Gen.S.L.IRWIN
95th Inf.Div.("Victory"-"O.K."): Maj.Gen.H.L.TWADDLE
90th Inf.Div.("Texas-Oklahoma"-"Tough Ombres"): Maj.Gen.J.A.Van FLEET
10th Arm.Div.("Tiger"): Maj.Gen.W.H.H.MORRIS Jr.

b) III. US-Corps: Major General John MILLIKIN
26th Inf.Div.("Yankee"): Maj.Gen.W.S.PAUL   
6th Arm.Div.("Super Sixth"): Maj.Gen.R.W.GROW

c) XII. US-Corps: Major General Manton S. EDDY
35th Inf.Div.("Santa Fe"-"Harry Truman"): Maj.Gen.P.W.BAADE   
87th Inf.Div.("Golden Acorn"): Maj.Gen.G.L.CULIN Jr.
80th Inf.Div.("Blue Ridge"): Maj.Gen.H.L.McBRIDE   
4th Arm.Div.(”Name Enough”) Maj.Gen.H.J.GAFFEY

III - 9th Army: Lieutenant General William H. SIMPSON

a) XIII. US-Corps: Major General  Alvan C. GILLEM Jr.
7th Arm.Div.("Lucky Seventh"): Maj.Gen.R.W.HASBROUCK
102nd Inf.Div.("Ozark"): Maj.Gen.F.A.KEATING
84th Inf.Div.("Railsplitter"): Maj.Gen.BOLLING  

b) XIX. US-Corps: Major General Rayond S. McLAIN
29th Inf.Div.("Blue and gray"):  Maj.Gen.C.H.GERHARDT   
2nd Arm.Div.("Hell on wheels"):  Maj.Gen.E.N.HARMON
30th Inf.Div.("Old Hickory"):  Maj.Gen.L.S.HOBBS  

IV - XVIII. AIRBORNE-Corps: Major General Matthew B. RIDGWAY

82nd Airborne-Div.("All American")(18.12.44): Maj.Gen.J.M.GAVIN
101st Airborne-Div.("Screaming Eagle")(18.12.44): Maj.Gen.M.D.TAYLOR
17th Airborne-Div.("Thunder from Heaven")(25.12.44): Maj.Gen.W.M.MILEY

V - Reserves

75th Inf.Div.:(”Bulge Busters”)(23.12.44): Maj. Gen. F.B. PICKETT
76th Inf.Div.("Liberty Bell"-"Onaway")(25.1.45): Maj.Gen.W.R.SCHMIDT
94th Inf.Div.("Neuf-cata")(5.1.45): Maj.Gen.H.J.MALONY
11th Arm.Div.("Thunderbolt")(25.12.44): Brig.Gen.C.S.KILBURN
8th Arm.Div.("Iron Snake"-"Show Horse")(19.1.45): Maj.Gen.J.M.DEVINE

13. Het graf van Alex Penkala (Band of Brothers) in Hamm (L)
Penkala werd geboren en getogen in South Bend, Indiana. Penkala ging in het leger en genoot zijn opleiding tot parachutist in Camp Toccoa, Georgia. Penkala kwam op 6 juni 1944, tijdens de landing in Normandië, voor het eerst in actie. In september 1944 werden Penkala en zijn eenheid opnieuw gedropt achter de vijandelijke linies. Als onderdeel van Operatie Market Garden sprong hij samen met zijn eenheid nabij Eindhoven uit het vliegtuig. De 101e luchtlandingsdivisie had als doel Eindhoven en de bruggen bij Son en Veghel te veroveren. De Easy Company volbracht haar taak, maar operatie Market Garden mislukte uiteindelijk toch. Na het mislukken van de operatie werd de Easy Company tijdelijk uit de frontlinie genomen. De eenheid kreeg de kans om in Frankrijk weer op krachten te komen. Na te zijn uitgerust en weer aangevuld met reserves, kreeg de Easy Company opnieuw een bijzondere taak.
De Duitsers waren een offensief in de Ardennen begonnen, waarbij de stad Bastenaken van groot belang was. Ditmaal werd de 101e luchtlandingsdivisie ingezet als een 'gewone' eenheid. Echter, door de ervaring om te kunnen omgaan met een omsingeling, werd besloten de luchtlandingsdivisie in te zetten. De divisie werd meermaals door de Duitse artillerie onder vuur genomen, hetgeen Alex Penkala het leven kostte. Zijn schuttersputje werd, net buiten de stad Foy, getroffen door een inslaande artilleriegranaat. Zowel Penkala als Warren "Skip" Muck, die zich eveneens in het schuttersputje bevond, kwamen om het leven. Penkala werd begraven op de Amerikaanse Begraafplaats in Hamm, Luxemburg.

14. Het ganzenei in de Ardennen.
Toen de deerlijk gehavende Amerikaanse troepen zich ten westen van Sankt Vith hergroepeerden, kreeg brigadegeneraal Hasbrouck, bevelhebber van de 7th Armored Division, bericht van generaal-majoor Matthew B. Ridgway, commandant van het recent aangekomen XVIIIe Korps, dat zijn 82ste Airborne Division op de westoever van de Salm op zo'n vijftien kilometer van Sankt Vith contact had gemaakt met patrouilles van de 7th Armored Division. Op dat moment ging het bevel over alle troepen in de sector Sankt Vith over op Ridgway, die, met de koelbloedige instelling van de Airborne Trooper wegens omsingelingen, van mening was dat de troepen achter de Salm het konden houden. Er werd een relatief stevige verbinding gelegd door de 82ste Airborne Division. In de ogen van Ridgeway zou dat verhinderen dat de Duitsers de saillant van achter zouden afsnijden.
Een komende aanval van de 3de pantserdivisie zou waarschijnlijk de omsingeling  geheel wegnemen. In de vroege uurtjes van 22 december beval Ridgway de troepen in de Sankt-Vith-saillant om hun linies in te korten door zich terug te trekken op een ovaalvormige defensieve stelling tegenover en rond Vielsalm. Dit zou het 'ganzenei' gaan heten. Hier moesten de verdedigers van het 'ei' wachten op de komst van de 3rd Armored Division. Ridgway maakte korte metten met de ingewikkelde bevelsstructuur waarmee de verdediging van en terugtrekking uit Sankt Vith te maken had gehad. Hij voegde de 7th Armored Division en 106de Infantry Division  bij elkaar onder opperbevel van generaal-majoor Jones.
Hasbrouck noch zijn ondergeschikte Clarke waren onder de indruk van het 'ganzenei'. De buitenlinie zou erg lang zijn en omvatte tevens een flink bos buiten Vielsalm. De wegen zagen er op een kaart indrukwekkend uit, maar met uitzondering van één gravelweg dwars door het bos waren het modderpaadjes. Bovendien hing de bevoorrading van de troepen in het ei af van de vraag of de paratroopers het gebied ten westen van het bos konden controleren. En hoe kon de bewapening doelmatig door de lucht worden aangevoerd? Clarke noemde Ridgways plan spottend `Custers laatste stelling'. Zelfs toen het plan werd uitgevoerd schreef Hasbrouck een rapport aan Ridgway waarin hij erop wees dat er maar één brug in Vielsalm was en dat die de verdedigers van het 'ganzenei' ontnomen zou kunnen worden als de 2de SS-pantserdivisie, die zich zoals bekend ten zuiden van de saillant bevond, de luchtlandingstroepen een kilometer achteruit kon dringen. Hij sloot zijn rapport af met een eerlijke observatie: 'Het is mijn mening dat als we hier niet voor de avond uit komen, we geen 7th Armored meer zullen hebben.' Ridgway werd bekropen door twijfels. Hij raadpleegde Jones en Hasbrouck. De eerste bekeek de slaagkansen van het plan gedistantieerd en vrij optimistisch. Hij zou kort daarna door Ridgway van zijn commando worden ontheven en een zware hartaanval krijgen. Hasbrouck herhaalde zijn kritiek en benadrukte vooral dat de troepen volslagen uitgeput waren. Ridgway ging er toen zelf op uit om meer meningen te peilen, inclusief die van brigadegeneraal William H. Hoge, commandant van Combat Command  B van de 9th Armored Division. Hoge was een onverstoorbaar type en Ridgway kende hem goed. Hij lette gespannen op Hoges reactie toen hij liet weten dat ze die nacht met terugtrekken zouden beginnen: 'We halen je hier weg.' Hoges bondige reactie luidde: 'Hoe wil je dat doen?' Het was voor Ridgway voldoende om te concluderen dat hij moest terugtrekken. Hij antwoordde: 'Bill, we kunnen het en we doen het.'
Op dat moment lag de beslissing echter al niet meer in Ridgways handen. Montgomery beval dat het 'ganzenei' opgegeven moest worden, waaraan hij een eerbetoon aan de verdedigers van Sankt Vith vastknoopte: 'Ze kunnen met ere terugkomen. Ze hebben een prachtvoorstelling gegeven.' Van de 22.000 man waren er vijfduizend gesneuveld, gewond of gevangengenomen. De 7th Armored Division had zestig tanks verloren. De mannen dienden op 23 december de val te verlaten door een smalle corridor die werd opengehouden door de 82e Airborne Division, maar door de plotseling invallende dooi veranderden de wegen in moerassen. De vastzittende voertuigen zouden voor de Duitse artillerie een peulenschilletje geweest zijn. Vroeg in de morgen van de 23ste vroor het echter opnieuw. Om 6 uur gaf generaal-majoor Clarke het bevel voor de verplaatsing. Terwijl een speciale eenheid van de 7e Armored Division de terugtocht dekte, staken de verdedigers van Sankt Vith de Salm over. Een kleine eenheid van de genie blies de weg- en spoorbruggen bij Vielsalm op. Hasso Von Manteuffel had erop gerekend dat Sankt Vith en het netwerk van wegen aan het eind van de eerste dag van Herbstnebel veroverd zouden zijn. Hij was pas aan het eind van de zesde dag, op 21 december, bij het stadje. Het was een dusdanige vertraging dat Herbstnebel er nog ingrijpender door ontregeld werd. Toen het `ganzenei' instortte, bewaakten Britse tankeenheden de Maasbruggen, terwijl oostelijk van de rivier het Amerikaanse 7de korps zich voorbereidde op een tegenaanval. Aan de noordkant van de Duitse penetratie had de Amerikaanse 30e Infantry Division, de befaamde Old Hickory,  in de sector Malmédy stelling langs de Amblève ingenomen.

15. Hasselpath
NO van Rocherath Wat zich in het gebied afspeelde: In de herfst van 1944 werd het Ardennenfront rustig en statisch. De 99ste U.S. Infantry Division – ongeveer 10.000 jonge en onervaren soldaten, bijgenaamd “Battle-Babies”, bestreek een frontlinie tussen Lanzerath en Monschau. Ze leden erg onder de regen, sneeuw en de koude. Deze bijzondere streek was door een gedeelte van de 395ste Regimental Combat Team bezet. De commandopost bevond zich in een jagerhuis, “Sam Suphy” genoemd, ongeveer 350 meter verder. Vanaf deze plaats begonnen zij op 13 december 1944 de aanval op de Roerdammen; ze gingen langs Hasselpath (heuvel 621 en 627) en Wahlerscheid (het “Heartbreak” kruispunt). Op 16 december begon het Ardennen offensief. De streek tussen Losheim en Hasselpath was het voornaamste doelwit van de Duitse troepen die met veel mankracht de wegen naar Elsenborn en Luik trachtten te bereiken. Het hevige gevecht eiste veel mensenlevens aan beide kanten, maar Rocherath-Krinkelt hield stand tot alle US troepen van Hasselpath en Wahlerscheid werden teruggetrokken naar het plateau van Elsenborn waar ze een nieuwe verdedigingslijn opbouwden. Bijgevolg bezetten de Duitse troepen de wouden van Rocherath en dit gebied werd de positie van het Eerste Bataljon, Regiment 989 van de 277ste Volksgrendierdivision. Vanaf deze plaats voerden ze veel aanvallen uit op het plateau van Elsenborn, zonder succes. Veel gewonde Duitse soldaten als ook gewonde Amerikaanse gevangenen kwamen in deze hulppost terecht voordat zij naar Kloster Steinfeld geëvacueerd werden. Velen stierven hier, rond het jagerhuis werden veel graven gevonden.
De gemeenteraad van Büllingen heeft in perfecte samenspraak met de autoriteiten van het Koninkrijk België, de Verenigde Staten en de Federale Republiek van Duitsland evenals met de Amerikaanse en Duitse oud-strijders op 9 maart 2000 het gemarkeerde terrein officieel erkend als beschermd gebied. Het gebied werd op 13 mei 2000 ingehuldigd in het bijzijn van zowel Amerikaanse als Duitse oud-strijders, die deel uitmaakten van de eenheden die ter plaatse in die gevechten gewikkeld waren, evenals de officiële vertegenwoordigers van België, Duitsland en de Verenigde Staten. In het bos bevinden zich nog zichtbare stellingen (kuilen en versterkte schuilplaatsen) die afwisselend werden bezet door Amerikaanse en Duitse troepen. Het gebied dient als een oord van meditatie en herinnering en als symbool van vrijheid en verzoening.

16. Amerikaanse vergissingsbombardementen op Malmédy.
Terwijl de grote steden geteisterd werden door de V-bommen, bleef het oosten van ons land regelmatig het doelwit van – vaak bevriende – bombardementen. De bevrijding van het oosten van België en de hevige gevechten tijdens het Ardennenoffensief in de winter, kostten aan naar schatting 3.000 bewoners het leven. De meeste van hen vielen doordat gevangen geraakten tussen twee vuren, zowel artillerievuur, geweervuur als de vernietigende kracht van bombardementen. Hoeveel slachtoffers er vielen bij zogenaamd ‘friendly fire’ kunnen we nooit achterhalen, omdat de inwoners van Oost-België ook bloot gesteld werden aan ander oorlogsgeweld en ook koude en ziektes. De meeste van deze ‘vergissingen’ waren er in de Oostkantons. Rond kerst van 1944 zaten de Belgische inwoners gekneld tussen twee vuren. Zo bombardeerden de Amerikanen op 23 december Malmédy (225 doden) en Sankt-Vith (153 doden). Hoewel van hun eigen troepen of van Duitse soldaten er geraakt werden is onduidelijk.

Maar liefst drie vergissingsbombardementen op rij werden door Amerikanen uitgevoerd op deze stad en dat terwijl deze stad onder Amerikaans commando stond. 23 dec 1944 - oorspronkelijke doel was infrastructuur rond Zülpich. 24 dec 1944 - oorspronkelijk doel is onbekend. (mogelijke navigatiefout) 25 dec 1944 - oorspronkelijke doel was het wegenstelsel van St. Vith en de Duitse troepen daar.

In totaal vielen in Malmédy het volgende aantal slachtoffers: 37 Amerikaanse slachtoffers, 100 gewond. 225 burgers, waaronder 140 inwoners van Malmédy, de overige slachtoffers waren vluchtelingen.

17. De aanval op Malmedy.
Malmedy, dat op zondag 17 december het toneel was geweest van de slachting zou het middelpunt worden van een aanval van Skorzeny voor de dageraad van 21 december. Skorzeny had Dietrich verzocht zijn troepen als normale troepen te gebruiken nu zijn oorspronkelijke doel, het veroveren van de bruggen over de Maas, niet mogelijk bleek.
Een dag eerder was 's middags in de buitenwijken van Malmedy een van de mannen van Skorzeny gevangengenomen. Bij de ondervraging vertelde hij dat de 150e Pantserbrigade van Skorzeny die nacht om 03.30 uur een zware aanval op Malmedy zou uitvoeren. Die operatie vormde een onderdeel van de aanval van Dietrich in het noorden om het belangrijke knooppunt van wegen in handen te krijgen. Peiper, die al voorbij Malmedy was, bleek in moeilijkheden te zijn geraakt en wanneer Malmedy kon worden veroverd, lag de weg naar het noorden achter de Amerikanen open en was er een ontsnappingsweg voor Peiper. Afgaande op de informaties van de koopvaardijofficier die op 17 december in Malmedy was geweest, dacht Skorzeny dat hij slechts een licht verdedigde stad aanviel.
Hij wist op het moment niet dat de eenheden van kolonel Pergrin, die met hun wegblokkades de enige verdediging hadden gevormd, versterkt waren door het 120e Infanterieregiment van de 30e Infanteriedivisie dat de verdediging had overgenomen. De eenheid van kolonel Pergrin had alle bruggen en spoorwegviaducten ondermijnd en mijnenvelden gelegd. De twee oorspronkelijke wegblokkades bleven gehandhaafd — bij de brug over de Warche en het grote spoorwegviaduct, terwijl hij bovendien machinegeweren langs de spoorbaan had laten opstellen. Skorzeny was van plan een eenheid via de N32 te laten oprukken terwijl de andere eenheid via de N23 zou aanvallen. Omdat hij geen zware artillerie aanviel. tot zijn beschikking had, dacht hij dat hij door een verrassingsaanval binnen een uur tot in de stad zou kunnen doordringen.
Om 03.30 uur begon zijn aanval, maar wel op een ongebruikelijke manier. Bij de brug over de Warche had een bataljon tankdestroyers zijn commandopost in een huis tegenover een papierfabriek. Plotseling werd het hele gebied verlicht door honderden lichtgranaten en zagen de mannen van het 291e, die de brug verdedigden, de tanks en de soldaten van Skorzeny komen. In plaats van via de weg de brug te naderen bewogen de Duitsers zich links van de weg door het open veld om hun aanvalsposities in te nemen. Bij deze actie hadden zij de Amerikaanse struikeldraadlichtseinen ontstoken. Toen de tanks het vuur openden, reden de Amerikanen naar de commandopost. Binnen een paar minuten beantwoorde de eenheid tankdestroyers het vuur vanachter het huis. In het twee verdiepingen tellende gebouw zaten 33 Amerikanen die vanuit de ramen schoten naar de vijand. Een soldaat regelde vanuit het gebouw het vuur van de Destroyers. De Duitsers bereikten het huis en gooiden een paar handgranaten in de benedenverdieping, waar een eerste hulppost was ingericht. De Duitsers werden teruggedreven. Een Pantertank, die als Shermantank was gecamoufleerd, stopte naast het huis. De tank reed verder, de brug over en koos een positie van waaruit het huis gemakkelijk kon worden beschoten. De tank opende het vuur en een van de eerste projectielen trof de keuken waarbij drie mannen sneuvelden. Het gevecht werd heviger en het huis kwam onder een moordend mitrailleurvuur te liggen.
Nog meer Amerikanen sneuvelden, de overlevenden bleven echter vanuit de ramen terugschieten. De kanonniers van de tankdestroyers achter het huis sneuvelden allemaal. Toen het licht werd, hing er een dichte mist maar om ongeveer 10.00 uur trok die op waardoor de Amerikanen bij de spoorbaan konden zien wat er aan de hand was. Zij beschoten het huis en ook de Amerikaanse artillerie begon op het huis te schieten aangezien de Amerikanen in de veronderstelling verkeerden dat de Duitsers het huis hadden veroverd en zij er een commandopost hadden ingericht. De panter tank bij de brug werd buiten gevecht gesteld en de vijf Duitsers die vanuit de koepel via de weg dekking probeerde te zoeken, werden door de verdedigers van het huis neergeschoten.
Er verschenen nog meer tanks en de Duitse infanterie probeerde de spoorbaan te bestormen. Tijdens dit gevecht gebruikten de Amerikanen voor het eerst granaten met tijdbuizen die in de lucht ontploften en niet bij contact. De Duitsers, die deze granaten niet kenden, raakten in paniek. Meer dan 100 Duitsers sneuvelden bij de bestorming van de spoorbaan. De hele morgen woedde het gevecht rondom de fabriek, de spoorbaan en het huis, waarin 's middags nog slechts twaalf overlevenden vochten. De overlevenden besloten twee mannen weg te sturen om hulp te halen. Een van de mannen van het 291e en een korporaal gingen op weg. Ze renden door de tuin achter de fabriek naar de rivier om die en de achterliggende spoorbaan over te steken. Ze hadden geluk dat ze daar niet werden neergeschoten omdat de Amerikanen eerst dachten dat zij Duitsers in Amerikaanse uniformen waren. Een Amerikaanse kapitein, die hen ondervroeg, geloofde ten slotte hun verhaal dat zij Amerikanen waren en dat het huis al de hele dag in Amerikaanse handen was geweest.
Door het spervuur van de Amerikaanse artillerie, die meer dan 3000 granaten afvuurde op de mannen van Skorzeny in het open veld, nam de strijd langzaam af. Skorzeny had het gevecht gevolgd vanaf de top van de heuvel en tot zijn ontzetting moest hij toezien hoe al zijn tanks opgesloten zaten bij de brug en hoe zij één voor één buiten gevecht werden gesteld. Het werd hem duidelijk dat Malmedy helemaal niet zo licht verdedigd werd. Halverwege de middag gaf hij zijn mannen opdracht terug te trekken naar de heuvels, waar zij de hele daaropvolgende week bleven. De officieren van het 120e Infanterieregiment vreesden dat de Duitsers de volgende dag weer zouden aanvallen en zij gaven kolonel Pergrin daarom opdracht de brug over de Warche op te blazen. Ook wilden zij dat het spoorwegviaduct zou warden opgeblazen. Dit was een grote, stenen boogvormige constructie die, afgezien van het feit dat zij moeilijk op te blazen zou zijn, ook nog moeilijk zou kunnen worden herbouwd wanneer het gevecht voorbij zou zijn. Kolonel Pergrin verzette zich, maar omdat hij een officieel bevel had gekregen ondermijnde hij de brug met bijna 900 kilo TNT.
Op 22 december werd de brug om 14.00 uur opgeblazen, waarbij de brokstukken de weg volledig afsloten; het puin lag bijna tot aan de spoordijk. In de Route de Falaize werd eveneens een spoorwegviaduct opgeblazen. Op 23 december liet de vijand zich niet zien maar even na 14.00 uur verschenen de eerste Amerikaanse vliegtuigen boven Malmedy. Duits luchtafweergeschut opende zonder enig resultaat het vuur terwijl het zien van de vliegtuigen de Amerikaanse soldaten die ingegraven lagen enorm opluchtte. Toen naderde om 16.00 uur een eskader van zes Amerikaanse bommenwerpers, geëscorteerd door gevechtsvliegtuigen. Tot ontzetting van de troepen op de grond begonnen zij Malmedy te bombarderen, waarbij veel burgers en Amerikanen in de stad werden gedood. Er werden woedende berichten naar allerlei hoofdkwartieren gestuurd, tot aan het hoofdkwartier van het 1e Leger toe, waarin de verdedigers verklaarden dat Malmedy niet in vijandelijke handen was. Het antwoord was dat er een verschrikkelijke onverklaarbare misverstand was ontstaan en dat dit meer zou voorkomen.
Desondanks vloog er de volgende dag, 24 december weer een eskader van 18 B-24 Liberators om ongeveer 14.30H boven de stad terwijl beneden in de puinhopen van het vorige bombardement naar overledenen werden gezocht. Deze keer deden de bommenwerpers hun werk goed en werd bijna de gehele binnenstad in puin gelegd. De stad vloog in brand en de gehele nacht waren de mannen van get 291ste in de weer om de vlammen te doven. Hele straten branden en gebouwen werden opgeblazen om een dam tegen het vuur te werpen. Op eerste kerstdag smeulden de puinhopen nog steeds. Om 16.30 uur keerden de bommenwerpers terug naar Malmedy en regenden de bommen van de eerste golf bommenwerpers, die door de Amerikaanse soldaten 'De Amerikaanse Luftwaffe' werden genoemd, weer op de stad neer. Gelukkig herkende de tweede golf bommenwerpers de herkenningsschilden die overal in de stad stonden opgesteld. Het 9e Tactische Luchtcommando weigerde wekenlang te erkennen dat er een vergissing was gemaakt. Misschien was het luchtafweergeschut op 23 december aanleiding geweest om te veronderstellen dat Malmedy in Duitse handen was. Uiteindelijk werd de luchtmacht er echter van overtuigd dat de stad werkelijk in Amerikaanse handen was en werden de bombardementen gestaakt.

 18. De aanval op Stavelot.
17 December 1944 om 16.30 uur arriveerde Peiper in Ligneuville, waar hij tot de ontdekking kwam dat zijn omsingelingsactie mislukt was de Amerikanen waren ontsnapt. Bovendien was zijn groep uit elkaar geslagen, de eenheden lagen kilometers ver uit elkaar op twee verschillende wegen.
Om 17.00 uur zette de eerste tank zich in beweging om via een smalle weg via Beaumont naar Stavelot op te rukken. Voor hen hadden de genisten van de C-Compagnie van kolonel Pergrin opdracht gekregen om wegversperringen aan te brengen bij Stavelot en Trois Ponts. Wanneer Peiper de Maas wilde bereiken, moest hij de rivier de Amblève oversteken en met zijn zware tanks (hij had een bataljon met 42 zware Tijgertanks in zijn gevechtsgroep) kon hij dat maar via een paar bruggen. Een van die bruggen lag in Stavelot; het was een kleine, stenen brug beneden in het dal. Het 291e peloton onder leiding van sergeant Hensel arriveerde in Stavelot waar zij tot de ontdekking kwamen dat de brug niet werd bewaakt . Zij legden een wegversperring aan bij een rots die aan de andere kant van de weg werd begrensd door een steile helling een ideale positie. Hensel had slechts de beschikking over mijnen, een 30 machinegeweer en een bazooka. Dertien mijnen werden net om de bocht in de weg gelegd zodat elk voertuig dat naderde ze pas zag als het al te laat was. De bazooka werd dertig meter achter de mijnen geplaatst.
Om 19.30 uur naderden de tanks van Peiper de kleine wegversperring. Toen de tanks met knarsende rupsbanden in het aardedonker de bocht 291e Geniebataljon zorgden met een bazooka en naderden, schreeuwde de Amerikaanse soldaat die op wacht stond hun dapper toe dat ze moesten stoppen. De Duitse infanteristen op de tanks openden het vuur dat werd beantwoord met een raket van de bazooka. Het was onmogelijk in het donker iets te zien maar de Amerikaanse soldaten hoorden hoe de tanks weer achteruit de heuvel oprommelden. Eén tank bleef staan. De groep van Hensel trok zich vervolgens rustig heuvelafwaarts terug om verslag uit te brengen. De mijnen lieten zij liggen. Toen zij de brug bereikten, troffen zij daar tot hun verrassing ongeveer 40 tot vijftig man aan die zij niet kenden. Sommigen dachten dat het infanteristen, anderen dat het genisten waren. Op dat moment was de brug ondermijnd en klaar om te worden opgeblazen. Ondanks het zwakke groepje voor hem besloot Peiper zijn opmars heuvelafwaarts uit te stellen tot het licht zou zijn.   Men neemt aan dat de brug in Stavelot door het misleidingscommando van Skorzeny werd bewerkt toen Hensel met zijn groep terugkeerde. Toen zij namelijk de brug wilden opblazen, bleek dat er met de ontstekingen en de ladingen was geknoeid. Na de oorlog bekende een Duitse krijgsgevangene dat zij op de avond van de 17e december in Stavelot waren en dat zij de springladingen onder de brug onklaar hadden gemaakt. 's Nachts arriveerden in Stavelot een paar tankdestroyers van het 526e Bataljon pantserinfanterie onder commando van majoor Paul Solis. Hij begon de tankdestroyers op vitale kruispunten in Stavelot op te stellen terwijl een Destroyer vlak achter de onbeschadigde brug werd geplaatst.
Achter Stavelot bevond zich op de weg naar Francorchamps een enorme benzineopslagplaats met jerrycans e over een lengte van 8 kilometer langs de weg opgestapeld. Deze opslagplaats stond wel niet aangegeven op de kaart van Peiper maar hij had dringend-  benzine nodig. Bij het ochtendgloren opende Peiper  de aanval. Na een inleidende beschieting vielen zijn tanks om 08.00 uur, toen het heuvelafwaarts in de richting van het dorp aan. Een half uur later naderde volgens majoor Solis een enorme overmacht aan voertuigen en tanks de brug. De voorste tank manoeuvreerde  zich in positie en reed de brug op. De chauffeur moet het angstzweet in zijn handen hebben gehad omdat hij verwachte dat de brug elk moment kon worden opgeblazen. Er gebeurde echter niets en de volgende tanks passeerden de brug. Toen de tanks aan de overkant van de rivier uitwaaierden, werden zij onder vuur genomen door een batterij luchtafweergeschut.

 
Toen de tanks over de brug reden, gaf majoor Solis zijn groep opdracht terug te trekken. De meeste voertuigen trokken terug via de weg naar Malmedy. Alleen majoor Solis trok met twee geweergroepen en een anti-tankkanon bij de spoorwegovergang terug via de secundaire weg naar Francorchamps. Majoor Solis, die van mening was dat de tanks hem achtervolgden, gaf opdracht om de opslagplaats, die werd bewaakt door een eenheid van het Belgische leger, te vernietigen. De jerrycans werden in een diepe greppel langs de weg gegooid en in brand gestoken. Op de weg werd ook een stapel jerrycans gegooid om op die manier een brandende barrière voor de tanks te maken. Dit verhaal wordt vaak verteld en zelfs de film 'De Slag in de Ardennen' laat zien hoe op deze manier een dramatisch einde kwam aan de opmars van Peiper. Deze verbranding vond plaats op ongeveer twee kilometer van Stavelot, maar Peiper sloeg deze weg niet in; hij ging linksaf in de richting van Trois Ponts. Later op die morgen verscheen luitenant-kolonel Frankland, commandant van het 117e Infantry Regiment van de 30e Infantry Division ,die via deze weg oprukte naar Stavelot om de verdediging aldaar te versterken en gaf hij opdracht om de verbranding van de benzine te staken. Het 117e Infantry Regiment bewaakte de benzineopslagplaats tijdens het verdere verloop van de strijd.

19. De 2e Panzer Division in het Ardennenoffensief.
Uiteraard heeft de Panzer Lehr niet alleen gevochten tijdens het Ardennenoffensief of beter bekend "Het Von Rundstedt Offensief" Zo ook de elite eenheid de 2de Panzer Divisie die zoals in 1940 succesvol doorbraken in de Ardennen die van nature uit al een barrière vormde menig leger. De Panzer Lehr en de 2de Panzer Divisie plus de 26ste volksgrenadiers vormden samen het XLVII korps onder leiding van Generaal Lüttwitz. De 2de Panzer Divisie of de 'Wierner Division' die onder leiding stond van Kolonel Meinrad von Lauchert was een Elite eenheid die al sinds de terugtocht uit Normandië in de strijd verwikkeld was. ze hadden zware verliezen geleden en werden aangevuld met goed getrainde Oostenrijkse troepen. De Divisie was uitgerust met de moderne Panther tank. De 2e Panzer divisie had tijdens het Ardennenoffensief de opdracht om naar de Maas op te rukken en Bastogne over te laten aan de 26ste volksgrenadiers en een eenheid van de Panzer Lehr. De opmars van deze divisie kan je in kort lezen. Op een later tijdstip zullen er nog artikels van deze divisie verschijnen, zo onder andere de gebeurtenissen in en rond Noville.
In de ochtend van 16 december kwam het bevel dat de 2e Panzer Division een aanval zou uitvoeren op de rechterflank, 26e Volksgrenadier Division op de linkerflank en met de Panzer Lehr-Divisie in reserve.
Op 17 december nam de Panzer Lehr Divisie posities in voor de 26e Volksgrenadier Division. De genie-eenheden van de 26e Volksgrenadier Division hadden nodige bruggen geworpen om de Panzer Lehr-Divisie toe te laten om door te breken en er werd gehoopt dat deze snelle eenheden tot aan de stad Clervaux zouden kunnen oprukken. De noordelijke bruggenhoofden over de Clerf en de Our werden veroverd door de 2e Panzer Division. Vanuit deze bruggenhoofden werden de bewegingen van de infanterie over de weg naar Longvilly gecontroleerd. De twee lager gelegen bruggenhoofden, die veroverd waren door de 26e Volksgrenadier Divisie en die aan de overzijde van dezelfde rivieren lagen, maakten de aanval mogelijk tegen de vijandelijke aanvoerroutes ten zuiden van Bastogne en lieten vanuit die richting een aanval op de stad toe. De scheidingslijn tussen de 2e Panzer Division en de Panzer Lehr Divisie voor de aanval tegen Bastogne liep van oost naar west, zowat halverwege tussen Noville en Bastogne. Het objectief van de 2e Panzer Division was het wegenknooppunt bij Herbeumont, in de buurt van Tenneville ten noordwesten van Bastogne. De 2e Panzer Division vorderde snel.
In Clervaux was ze op hevige weerstand gestoten van elementen van de Amerikaanse 28e Infantry Division, maar zonder verder contact met de vijand bereikte ze al snel de weg naar Longvilly. Bij de kruising van de weg onmiddellijk ten oosten van Allerborn was een tankslag aan de gang die een uur doorging en hevige verliezen veroorzaakte onder de Amerikaanse pantsers. Toen het gevecht voorbij was trok de 2e Panzer Division opnieuw verder naar Bourcy, even ten oosten van Noville. De spits van de 2e Panzer Division bevond zich in Noville, en de resterende elementen van de divisie strekten zich uit op een lint langs de weg door Bourcy tot ten noordwesten van Allerborn. Rond deze tijd kreeg de Corpscommandant te horen dat er sterke Amerikaanse pantsereenheden op weg waren van Bourcy naar Longvilly, waardoor zijn flank bedreigd werd. De voorste elementen van de 26e VGD bevonden zich op dat ogenblik op Hill 499, ten zuidwesten van Longvilly. De 2e Panzer Division liet zijn anti-tankbataljon aanrukken en stelde het zodanig op dat de weg versperd was. Tegelijkertijd werd het anti-tankbataljon van de Panzer Lehr-Division door de linies van de 26e VGD gestuurd, die posities innam op Hill 499. Volgens de bevelen moest de 2e Panzer Division onder alle omstandigheden Noville innemen, zo snel mogelijk, en de troepen van deze divisie vormden de hoofdmacht tijdens de hele duur van de aanval. De aanvallen van de twee divisies verliepen niet gecoördineerd Hoewel van elke divisie verondersteld werd dat ze binnen de haar toegewezen zone zou opereren, en hoe sneller hoe beter, waren ze voortdurend met elkaar in verbinding, en elke divisie wist precies wat de andere deed. In deze fase van de aanval konden de plannen niet meer gewijzigd worden. Reeds voor de aanval bleek dat Bastogne moeilijk zou te veroveren zijn.
Op 21 december 1944 gaf de corpscommandant het volgende bevel aan zijn divisie: "Bastogne moet ingenomen worden, eventueel langs de achterzijde. Als de stad niet valt, zal ze als een dikke zweer op onze verbindingslijnen drukken, en precies daarom zal ze ook zwaar verdedigd worden. Daarom moeten we eerst Bastogne veroveren en daarna verder oprukken. De bevelhebber van de 2e Panzer Division vroeg via de radio toestemming aan het hoofdkwartier om in zuidelijke richting aan te vallen, naar Bastogne, maar hij kreeg kortweg te horen dat hij verder moest oprukken naar de Maas en dat hij zich niets van Bastogne moest aantrekken.
Tijdens de nacht van 19 op 20 december nam de 2e Panzer Division, die ten noorden van Bastogne oprukte, Ortheuville in, waar de hoofdweg in noordwestelijke richting naar Marche leidt. Daardoor werden de verdedigers van Bastogne langs de noordelijke zijde afgesneden. Nadat de 2e Panzer Division op 20 december rond drie uur in de namiddag Noville had aangevallen en ingenomen, trokken haar verkenningseenheden verder naar het westen, tot in Salle, ten noorden van Flamierge. Ze kwamen onder vuur van een wegversperring direct ten westen van hen. De verkenners trokken in noordwestelijke richting langs de versperring heen. Rond middernacht bereikten ze de brug van Ortheuville. Daarop werd er voor Tenneville een bruggenhoofd gevormd. Van in het begin gingen we er van uit dat de Amerikaanse101e Airborne Division in Bastogne zou blijven en vechten. Beide hadden hun zones toegewezen gekregen, zodat we veronderstelden dat ze in goede orde konden oprukken en zonder veel problemen bij elkaar konden blijven. Toen we ondervonden dar 2e Panzer Division in het westen niet voorbij Tenneville raakte stelde ik de bevelhebber van het Leger voor (Luitenant-Generaal Manteuffel) om het plan te wijzigen en al onze inspanningen tegen Bastogne te richten. Het verzoek werd afgewezen en in plaats daarvan kregen we het bevel om op te rukken langs dezelfde routes die in het oorspronkelijke plan beschreven werden. De Panzer Lehr ten zuiden van Bastogne en de 2e Panzer Divisie ten noorden van de stad. Tijdens hun opmars moest vlak achter hen de 26e Volksgrenadier Division volgen. Ze zou de stad uit het oosten naderen en haar veroveren zodra ze daartoe de geschikte kans kreeg'.
Op 22 december was de 2e Panzer Division al flink op weg naar de Maas. Tijdens de snelle opmars naar haar objectief had de divisie alle Amerikaanse versterkingen vermeden. Ze werd wel een paar keer opgehouden door geallieerde luchtaanvallen, die hun tol begonnen te eisen. De divisie was als een vinger die in noordwestelijke richting was uitgestoken. De colonne strekte zich uit over een afstand van zeven kilometer en de leidende elementen werden voortdurend op hun waarde getest door de geallieerde patrouilles. Er waren geen eenheden om haar flanken te beschermen. Panzer Lehr had in het zuiden nog maar pas de stad Rochefort veroverd, en Generaal Bayerlein had besloten zijn uitgeputte troepen een tijdje rust te gunnen vooraleer verder te trekken. In het noorden, waar de 116e Panzer Division probeerde de hoofdweg van Marche naar Hotton af te snijden, gingen de zaken maar moeizaam vooruit. De eenheid was op de verdedigingslinies gestoten van de pas gearriveerde Amerikaanse 84e Infantry Division en werd opgehouden. Zo erg zelfs dat von Manteuffel besloot om de bevelhebber van de divisie, Generaal von Waldenburg, persoonlijk met zijn bezoek te vereren om hem ertoe aan te sporen een nieuwe poging te ondernemen om de klus te klaren. Duitse versterkingen in de vorm van de 9e Panzer Division en de restanten van de 15e Panzer Grenadiers werden eveneens opgehouden door de steeds toenemende aanvallen van de geallieerde luchtmacht.
Generaal Von Lüttwitz getuigt: `Op 21 december 1944 bevond de verkenningseenheid van de 2e Panzer Division zich in Tenneville. Hoewel ik liever had gehad dat de verkenners snel door het bos van Bande trokken om Bande zelf nog diezelfde dag te bereiken, kon ik hen onmogelijk deze opdracht geven omdat de hoofdmacht van de divisie veel te veel uiteengetrokken was om hen te kunnen volgen. Ze was verspreid over het gehele traject tussen Tenneville en Bourcy. Later hoorde ik van de 2e Panzer Division dat er voor Tenneville een vijandelijke wegversperring lag die zwaar werd verdedigd. Op 23 en 24 december reed ik zelf naar de plek waar de divisie zich bevond, en ontdekte dat de wegversperring slechts bestond uit kleinere barricades. Ik zag zelfs geen vijandelijke troepen en de zaak kreeg later nog een staartje voor het krijgsgerecht. Ik liet de divisie vertrekken, maar we waren nog maar een eindje opgerukt in noordwestelijke richting toen we bij een klein riviertje kwamen. Op die plaats was de hele weg opgeblazen. Het was een knap staaltje van de Amerikaanse genisten. We verkenden een plaats waar we de hindernis konden omzeilen, en trokken toen snel verder naar Marche'.

Tegen 24 december had de 2e Panzer Division bijna al haar brandstof opgebruikt. Ze vroeg de toestemming om zich terug te trekken uit haar riskante posities naar een betere defensieve linie. Lüttwitz ging akkoord, omdat hij een duidelijke kijk had op de risico's die zijn pantsertroepen liepen. Hitler weigerde echter het verzoek. De meest vooruitgeschoven elementen van de divisie waren nog slechts zes kilometer van hun doel verwijderd, de Maas. Ze hielden twee regio's bezet, één rond Foy-NotreDame en de andere rond Celles en Conjoux. Alle brandstof was zo goed als opgebruikt, zodat de divisie zich ingroef en de onvermijdelijke Amerikaanse aanval afwachtte. Er kwam een bericht toe van Model, die aan de divisie liet weten dat indien de brandstof was opgebruikt, men desnoods te voet naar de Maas moest trekken. Niemand besteedde er nog enige aandacht aan. De manschappen hadden er genoeg van. Bovendien was het Kerstmis. Aanvankelijk werden er geen aanvallen uitgevoerd. De 2e Armored Division van Generaal-Majoor Ernest N. Harmon werd erop uit gestuurd om het gebied te dekken dat zich voor de 2e Panzer Division uitstrekte. Zodra hij was aangekomen kreeg hij het bevel een verdedigende stelling uit te bouwen. Het hele Amerikaanse VIIe Corps waartoe de 2e Armored Division behoorde, was opgetrommeld in de streek ten zuiden van Aken om een tegenaanval uit te voeren tegen de Duitsers.
Op 23 december tijdens het avondmaal werd Harmon er door een officier van op de hoogte gebracht dat Duitse tanks geschoten hadden op één van zijn verkenningspatrouilles, nog geen vijftien kilometer naar het zuiden. Harman wilde onmiddellijk tot de actie overgaan en stuurde een groep tanks naar het zuidoosten om het nakende gevaar te bezweren. De Amerikaanse colonne werd aangevoerd door een team onder het bevel van Luitenant-Kolonel Hugh R. O'Farrell. Voorop reed een jeep, waarvan de bemanning duidelijk het geklingel van rupskettingen kon horen en het geluid van stemmen De jeep maakte onmiddellijk rechtsomkeer en reed langs de eigen colonne om de bestuurders van de voertuigen en de manschappen te verwittigen dat ze stilletjes dekking moesten zoeken tussen de bomen langs de rand van de weg. Een volle maan verlichtte de nacht en door de sneeuw was de zichtbaarheid bijzonder goed. De Duitse voertuigen gaven zich totaal geen rekenschap van de mogelijke aanwezigheid van Amerikaanse troepen en liepen in de hinderlaag. De Amerikaanse tankisten openden het vuur met alle mogelijke middelen en hadden de Duitse voertuigen in een tijdspanne van een paar minuten herleid tot brandend schroot. De Duitsers maakten deel uit van een patrouille die langs de noordelijke flank trok van de hoofdmacht van de pantsercolonne die op weg was naar Celles. Harman belde het hoofdkwartier van het VIIe Corps met nieuws dat hij verkregen had via Belgische burgers. 'Er wordt gezegd dat de Moffen zonder brandstof zitten. Het zijn net zittende eenden'. Na veel gepingel kreeg hij eindelijk de toestemming om aan te vallen.

De rol van de 2e Panzer Division was uitgespeeld.


Onze partners




Meer links

Please download Flash Player 10 or higher to view this content.

398445 views Battletours, Ardennen offensief
cron