The Malmedy Massacre
Het Bloedbad van Baugnez

Voor SS-Obersturmbannführer Joachim Peiper en zijn Kampfgruppe was een grote rol weggelegd tijdens het Duitse offensief. Hij zou de absolute speerpunt vormen van de aanval. Peiper stond bekend om zijn enorme vechtlust en meedogenloosheid. In Rusland hadden zijn troepen vreselijk huisgehouden. Ook door hun optreden in de Ardennen werd de Kampfgruppe Peiper berucht. Tijdens hun opmars hebben ze op meerdere locaties zowel burgers als krijgsgevangenen omgebracht. Over de exacte aantallen slachtoffers, de precieze toedracht en de daders is nog veel onduidelijkheid en controversieel. Peiper stond in elk geval te popelen om in de Ardennen een bliksemdoorbraak te forceren en Antwerpen te bereiken. Tot zijn grote woede werd zijn doorbraak echter vertraagd door een opgeblazen brug bij Losheim en hardnekkige Amerikaanse tegenstand bij Lanzerath. Nadat de Duitsers de verdedigers van Lanzerath hadden verslagen, rukten ze verder op, om vervolgens bij Honsfeld weer op verzet te stuiten.

Al vanaf het begin gingen de Duitse operaties aan het front niet van een leien dakje door de grote weerstand van de Amerikaanse soldaten. Peiper hoopte gebruik te kunnen maken van een opening in de verdedigingslinie op 16 december, de eerste dag van het offensief. In werkelijkheid werd hij echter opgehouden door grote verkeersopstoppingen achter het front terwijl de Duitse infanterie, die een gat in de Amerikaanse linies moest slaan, op zijn komst wachtte. Pas op 17 december lukte het de Kampfgruppe om door te breken richting Honsfeld. Hier vond het eerste bloedbad plaats. Soldaten van Peiper’s Kampfgruppe vermoordden tientallen Amerikaanse krijgsgevangenen.
Ondertussen was de hoofdmoot van Kampfgruppe Peiper op weg naar Büllingen, waar zich een Amerikaans brandstofdepot bevond. Peiper moest, wilde hij zijn opmars kunnen vervolgen, Amerikaanse brandstof buit maken aangezien hij niet genoeg voorraden had ontvangen. Nadat de Duitse tanks waren volgetankt, rukten ze verder op naar Malmedy.
Na Honsfeld te hebben veroverd, week Peiper een paar kilometer af van zijn toegewezen route in de hoop een brandstofdepot in Büllingen te veroveren. Daar vond later nog een afslachting van krijgsgevangenen plaats. Op dit moment bevond Peiper zich achter de vijand. Als hij van Büllingen naar Elsenborn was gegaan, dan zou hij twee Amerikaanse eenheden vast kunnen zetten. Peiper besloot echter terug te keren naar zijn oude route en eerst Ligneuville te veroveren. Deze beslissing bleek lastig vanwege het moeilijk begaanbare terrein en de slechte kwaliteit van de wegen. Uiteindelijk bleek het onmogelijk om direct door te reizen naar Ligneuville, en was Peiper gedwongen weer van zijn route af te wijken. Hij en zijn Kampfgruppe trokken daarom richting de kruising van Baugnez, welke zich bevond tussen Malmedy, Ligneuville en Waimes.
Op weg daarheen vond een gebeurtenis plaats die de beruchte reputatie van de Kampfgruppe Peiper sterk zou bepalen. Hier werden in een weide langs de N-23, vlakbij een kruispunt, Amerikaanse krijgsgevangenen samengedreven en vervolgens omgebracht. In totaal vielen daarbij 86 Amerikaanse slachtoffers. De massa-executie werd bekend als het Bloedbad van Malmedy. Over wat zich in Baugnez precies heeft afgespeeld, doen vele verschillende verhalen de ronde. Het Amerikaanse leger deed het indertijd voorkomen alsof het een weloverwogen massa-executie betrof en ook tegenwoordig houden sommige historici daar aan vast. Andere onderzoekers beweren dat de Amerikanen een massale vluchtpoging ondernamen, waardoor de Duitse troepen het vuur hadden geopend. Weer anderen zoeken een middenweg tussen beide scenario’s. Wat er precies gebeurd is, zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar feit is dat later de lichamen van de Amerikaanse slachtoffers werden aangetroffen, waarvan een aantal van dichtbij door het hoofd geschoten was. Deze lugubere vondst was van grote invloed op het moreel van de Amerikaanse soldaten tijdens het Ardennenoffensief. De geruchten over de massa-executie in Baugnez verspreidden zich in sneltreinvaart door de linies. De soldaten waren woedend, hun verzet werd nog vastberadener en ze waren niet langer bereid zich over te geven uit angst om vermoord te worden.

Tussen 12 en 13 uur in de middag bereikte de Duitse Kampfgruppe de kruising. Ondertussen was een Amerikaans konvooi bestaande uit 30 voertuigen, die voornamelijk bij de 285th Field Artillery Observation Battalion (FAOB) hoorden, op weg naar Ligneuville. Het doel was zich bij Sankt Vith weer aan te sluiten bij de 7th Armored Division. Peiper’s groep zag het konvooi, en opende het vuur. Door het eerste en laatste voertuig in de colonne uit te schakelen brachten de Duitsers het gehele konvooi tot stilstand. De soldaten van het konvooi hadden slechts geweren en kleine vuurwapens. Al snel moesten ze zich overgeven. Terwijl de Kampfgruppe geleid door Peiper verder trok richting Ligneuville, werden de gevangen Amerikanen naar een veld gebracht waar zich ook andere gevangenen bevonden. Volgens getuigen waren er honderdtwintig gevangenen aanwezig op het veld. Om nog onbekende redenen openden de Duitsers onverwacht het vuur en slachtten alle gevangenen af. Een paar Duitse soldaten beweerden later dat de gevangenen hadden geprobeerd te ontsnappen. Anderen beweerden dat sommige gevangenen erin waren geslaagd hun wapens terug te pakken en de Duitsers onder vuur namen. Van de 88 lichamen die een maand later werden gevonden, had een groot aantal schotwonden in het hoofd. Dit suggereerde dat het wel degelijk ging om een massale executie van krijgsgevangenen. Zodra de Duitsers begonnen te schieten, probeerden enkele gevangenen te vluchten. De meesten werden tijdens hun vluchtpoging neergeschoten, maar enkelen haalden een café. De Duitsers staken het gebouw in brand, en schoten de gevangenen die het brandende gebouw probeerden te verlaten dood. Sommige gevangenen probeerden aan het bloedbad te ontkomen door zich te laten vallen en dood te houden. De Duitse troepen namen echter het zekere voor het onzekere en controleerden alle lichamen. Als er nog levende gevangenen tussen werden gevonden, werden ze alsnog gedood.

Peiper en 800 van zijn soldaten konden aan de Amerikanen ontkomen door weg te vluchten door een bos. Hierbij lieten ze al hun zware wapens en machines achter, waaronder verschillende Tiger II tanks. Tijdens de slag rond La Gleize heeft de Kampfgruppe van Peiper de Amerikaanse officier Harold D. McCown gevangen genomen. McCown wist van het bloedbad bij Malmedy, en confronteerde Peiper hiermee. Volgens McCown vertelde Peiper hem dat hij geen schuld had aan het bloedbad. Hij en zijn soldaten waren immers al verder getrokken toen het bloedbad plaatsvond. McCown hielp Peiper later bij diens verdediging tijdens de rechtszaken in 1946. Hoeveel slachtoffers de Kampfgruppe in totaal heeft gemaakt is niet bekend.

Bronnen variëren van 538 tot 749 krijgsgevangenen.

De Duitsers hadden een bliksemdoorbraak geforceerd in het midden van de Amerikaanse linies. Tijdens het begin van de opmars ondervonden de Duitsers vooral hinder van kleine geïsoleerde groepjes Amerikanen. Hoe verder ze echter oprukten, hoe meer ze op grotere en georganiseerde verzetshaarden stuitten. De schok van het offensief mocht dan groot zijn in het begin, de Amerikanen zouden de Duitsers niet zomaar naar de Maas laten oprukken. Ook de geruchten over de moorden op de krijgsgevangenen zorgden voor verbetenheid onder de Amerikanen.

Het 285e Field Artillery Observation Battalion was in de buurt van de 7e Armored Division in Heerlen in Nederland gestationeerd. Drie eenheden van B Battery, bestaande uit 140 man en dertig voertuigen kregen opdracht zich bij de divisie aan te sluiten. Zij reden in dit konvooi in zuidelijke richting achter Gevechtsgroep R van de 7e Armored Division en een eenheid gepantserde artillerie.

Op zondag 17 december bereikte dit kleine konvooi om 11.45 uur Malmedy, waar het moeizaam een weg door het drukke verkeer in de stad zocht. Om 12.15 uur stopte de colonne voor de commandopost van het 291e Gevechtsbataljon van de genie. Nadat de colonne een wegversperring van het 291e Geniebataljon was gepasseerd, reed zij langzaam de steile helling op waarna zij afdaalde naar de wegkruising in Baugnez, die door de Amerikaanse soldaten in Malmedy ’Five Points’ werd genoemd, omdat het een vijfsprong was. Op de hoek lag het café van mevrouw Adel Bodarwe waar twee MP's op wacht stonden. Nadat Gevechtsgroep R was gepasseerd, was een van de MP's naar Malmedy gereden om te lunchen en afwachting van de aankomst van het volgende konvooi. De achtergebleven MP was soldaat 1e klas (PFC) Homer Ford. Toen de voorste jeep met luitenant Lary arriveerde,, stuurde hij hem de juiste weg in. Voor zich zag Lary een bulldozer aankomen. Toen het laatste voertuig (een ambulance van het 26e Infanterieregiment zich bij het konvooi had aangesloten) voorbij was, draaide Ford zich om en liep terug naar het café. Plotseling hoorde hij tanks schieten; hij draaide zich weer om en zag hoe batterij B, die nu ongeveer 300 meter de weg in was gereden, onder vuur lag. Een Duitse gepantserde eenheid, die via een secundaire weg in noordelijke richting reed, had het konvooi onder vuur genomen, waarbij een van de voorste vrachtauto's, die getroffen was, de weg verder blokkeerde. Duitsers klommen van de tanks af en bestormden dwars door het open veld met machinepistolen en geweren het vleugellamme konvooi. De bulldozer maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten en waarschuwde, zoals wij al eerder zagen kapitein Green in Ligneuville.

Langs de weg liep een greppel (zoals nu trouwens nog) en vanuit deze greppel achter de weg konden luitenant Lary en zijn mannen slechts weinig tegen de aanstormende Duitsers uitrichten. Lary zag dan ook het nutteloze van zijn poging in en nu de tanks via de samenkomst van wegen in zijn richting kwamen, waarbij zij de in de weg staande voertuigen gewoon opzij schoven, gaf hij opdracht het vuren te staken. Verscheidene mannen waren al gesneuveld en met karabijnen en geweren viel er weinig tegen de tanks te doen. Lary stond op om de groep over te geven. Een paar mannen waren tijdens de aanval naar het kruispunt teruggerend en verborgen zich nu met de MP Ford achter het café. Majoor Diefenthal kwam aanrijden in een halftrack en het vuren werd gestaakt. De Duitsers fouilleerden de Amerikanen die zich hadden overgegeven en lieten hen langs de weg teruglopen naar een weiland bij het café waar zij werden samengedreven. Zij moesten zich in acht rijen opstellen ongeveer 120 mannen hadden zich overgegeven. Een van de mannen die zich niet had overgegeven, was Warren Schmidt, die onder modder en onkruid verborgen lag in een nabijgelegen beekje. Ford en de andere mannen achter het café werden ontdekt en moesten zich ook bij de mannen in de wei voegen. De twee mannen in de ambulance waren de laatste die zich bij de groep voegden. Majoor Diefenthal vertrok vervolgens met de Duitse colonne; majoor Poetschke bleef achter voor de bewaking. Deze liet twee Mark IV tanks uit de voorhoede naar voren komen, het waren de nrs.731 en 732, die zo werden opgesteld dat zij het veld en de gevangenen in hun schootsveld hadden. De commandant van tank no. 731, sergeant Hans Siptrott kreeg vervolgens opdracht het vuur op de krijgsgevangenen te openen. Siptrott gaf het bevel door aan zijn hulpkanonnier, soldaat George Fleps,die zijn pistool al had getrokken. Hij richtte zorgvuldig op de chauffeur van luitenant Lary, en schoot. Het was een paar minuten over twee. Toen de Amerikanen begonnen te schreeuwen, gaf luitenant Lary de mannen opdracht te blijven staan om Duitsers geen gelegenheid te bieden verder te schieten wanneer zij zouden weglopen.

Desondanks openden de machinegeweren van de twee tanks enkele seconden later het vuur, waarbij zij met hun moorddadige wapens van links en rechts en weer terug door de rijen gevangenen maaiden. tank nr. 731 was de eerste die ophield met schieten en vervolgens weg reed, maar nr.732 bleef op de neergemaaide soldaten schieten. Daarna vertrok ook tank nr.732 maar toen er andere voertuigen en tanks langs de lichamen voorbij reden, werd er vanuit de voertuigen met geweren en mitrailleurs op de mannen geschoten. Toen het vuren ophield, liepen Duitse geniesoldaten het veld op om iedereen die nog tekenen van leven vertoonde het genadeschot te geven. Soldaat Gustav Sprenger schoot zelfs vijf keer op elke man die hij vond. De Duitsers lieten een paar wachtposten achter en vertrokken. Hoe ongelooflijk het ook lijkt, er waren nog ongeveer twintig mannen in leven, onder wie luitenant Lary en MP Ford, die fluisterend met elkaar beraadslaagden hoe zij zouden kunnen ontsnappen. Lary was twee keer door een kogel geraakt, Ford een keer. Soldaat James Massara die als door een wonder niet gewond was, voerde mannen aan die plotseling overeind sprongen om naar het noorden, naar de bossen te ontkomen. De verbouwereerde Duitsers bij de wegkruising openden het vuur met een mitrailleur. Ongeveer twaalf Amerikanen weken uit naar het café. De Duitsers staken het café in brand om de mannen eruit te drijven en schoten hen neer toen zij trachtten te ontsnappen. In Malmedy hadden kolonel Pergrin en zijn mannen het schieten wel gehoord maar zij konden niet vermoeden wat de werkelijke betekenis van deze schietpartij was. Om 14.30 uur besloot Pergrin, samen met twee soldaten, in een jeep een verkenningspatrouille in de richting van de wegkruising uit te voeren. Na de laatste wegblokkade stopte hij bij de top van de heuvel om de omgeving te bekijken. Hij hoorde nog meer machinegeweervuur en geschreeuw. Plotseling doken uit de bossen vier rennende en hinkende mannen op die een onsamenhangende verhaal vertelden, geschokt nam Pergrin de mannen mee naar Malmedy. Daarna druppelden er nog meer overlevenden binnen maar het duurde tot de avond voordat een van de laatste overlevenden, Warren Schmidt, die zich in het ijskoude water van het beekje verborgen had gehouden, de wegblokkade van de verdediging bereikte. Luitenant Lary bereikte de commandopost van kolonel Pergrin om middernacht nadat hij bewusteloos was geraakt in een boerenschuur. Tussen 15.30 uur en middernacht bereikten zeventien overlevenden het 291e. In totaal bleken er toch nog 43 overlevenden van de korte schermutseling en de daaropvolgende slachting te zijn. Officieel werden er 86 mannen vermoord bij de wegkruising. Om 16.30 uur bereikten de eerste rapporten van de slachting het hoofdkwartier van het 1 e Leger. Later stuurde Pergrin een gedetailleerd verslag, nadat alle overlevenden het 291e hadden bereikt. Men besloot onmiddellijk de grootst mogelijke publiciteit aan het gebeurde te geven - tegen middernacht was elke eenheid van het 1 e Leger op de hoogte van de gebeurtenissen terwijl de volgende dag de meeste soldaten van het Amerikaanse Leger de feiten van de slachting kenden.

Het effect dat Hitler had beoogd toen hij zei dat het offensief meedogenloos en zonder medelijden moest worden uitgevoerd, was averechts. In plaats van dat de Amerikanen bang,laf en paniekerig werden, betekende deze gebeurtenis een psychologisch keerpunt. Na 17 December had het Amerikaanse leger een reden meer om de vijand mores te leren, alleen maar om de mannen bij Baugnez te wreken. Sommige Amerikaanse eenheden deden dit wat al te letterlijk; het 328e Infanterieregiment vaardigde bijvoorbeeld op 21 december voor een aanval die de volgende dag zou worden uitgevoerd de volgende order uit: 'SS-troepen en parachutisten worden niet krijgsgevangen genomen maar direct neergeschoten. Tijdens een verbitterd gevecht in Chegnogne waarbij het hele dorp met de grond gelijk werd gemaakt, gebruikten de Duitsers de kelder van het huis van de heer Bernotte als eerste-hulp centrum. Het huis was in brand geschoten en toen de Duitsers het probeerden te verlaten waarbij de eerste soldaat een Rode Kruis vlag voerde, werden zij in de deuropening neergeschoten. Na de oorlog werd een eenvoudig monument opgericht op de plaats waar de slachting plaatsvond en waar nu het parkeerterrein van het herbouwde café Bodarwe ligt. Toen de Belgen later besloten een permanent gedenkteken op te richten, kozen zij een plaats aan de andere kant van de weg (de plaats lag gunstiger wanneer men vanuit Malmedy via die weg reed) en de inscriptie geeft dus aan; 'op deze plaats' terwijl er ook maar 84 namen vermeld staan. Aan het einde van oorlog gaf de Amerikaanse justitie opdracht aan alle interneringskampen voor krijgsgevangenen de mannen van het 1e SS Pantserregiment op te sporen. Gegevens omtrent de verblijfplaatsen van Dietrich en Peiper waren hoogst urgent'. Dietrich dook als eerste op in een kamp bij Wiesbaden, waar hij op 15 mei was gearresteerd. Maar waar zat Peiper? De meeste Duitsers wilden al niet bekennen dat zij SS’ers waren, laat staan dat zij hun eenheid wilden noemen. Pas in augustus publiceerde een journalist van de Stars en Stripes een verhaal dat een zekere luitenant-kolonel Jochen Peiper op dat moment in een militair inlichtingen centrum in Neurenberg zat. Het verhaal bleek waar te zijn maar het was niet eenvoudig hem op te sporen. Tienduizend krijgsgevangenen moesten worden verhoord voordat hij, samen met vierentwintig andere mannen van het 1e  SS Pantserregiment, kon worden ontmaskerd. Gedurende de volgende maanden werden er nog meer verdachten opgespoord in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Engeland. Eind september waren er ongeveer 1000 ex SS’ers bijeengebracht in een speciaal kamp in Ludwigsburg. Ten slotte werden drieënzeventig verdachten overgebracht naar Schwabisch Hall in Landsberg, waar zij zouden worden berecht. Dit proces begon op 16 mei 1946 ten overstaan van een volledig Amerikaans tribunaal (dit in tegenstelling met het internationale tribunaal in Neurenberg) Het proces duurde twee maanden en onder de getuigen die verschenen bevonden zich luitenant Lary (die toen economische wetenschappen studeerde aan de universiteit van Kentucky) en soldaat 1e klas Ford.

Het proces bracht meer aan het licht dan alleen de slachting bij Malmedy. Ten minste tien andere gruweldaden werden ten laste van de gevechtsgroep Peiper gebracht, gepleegd tijdens hun opmars door Honsfeld, Büllingen, Ligneuville, Cheneux, Stavelot, Trois Pont, Stoumont, Wanne, Lutrebois en Petit Thier. Het aantal slachtoffers bedroeg 308 soldaten en 111 Belgische burgers alhoewel men vermoedde dat het werkelijke aantal wel een driehonderd hoger zou kunnen zijn. Toen het proces op 16 juli eindigde, werden drieënveertig verdachten ter dood veroordeeld, tweeëntwintig tot levenslang, een tot vijftien jaar en vijf tot tien jaar. Peiper en Fleps, die het eerste schot afvuurde, behoorden tot de ter dood veroordeelden. Alle vonnissen werden tot driemaal toe herzien door even zoveel commissies. In maart 1948 waren er nog maar twaalf ter dood veroordeelden over en nog slechts veertien verdachten die levenslang hadden. De executies werden echter voortdurend uitgesteld. De SS’ers gaven beëdigde verklaringen af, waarin zij stelden dat hun bekentenissen waren afgedwongen in schijnprocessen, schijnexecuties, martelingen enz. Ook kreeg de atmosfeer van de koude oorlog invloed op de houding van de Amerikanen ten opzichte van hun vroegere vijand, die nu zo langzamerhand als een bondgenoot werd beschouwd. In mei 1948 kreeg het Amerikaanse Opperste Gerechtshof zelfs een petitie van Willis Everett, de hoofdverdediger tijdens het proces, waarin hij verklaarde dat er wreedheden en onregelmatigheden waren begaan tijdens de verhoren en het proces. Na een verder onderzoek werden de doodstraffen op 14 september omgezet in gevangenisstraffen. De meningsverschillen gingen ook in 1949 nog door; dagbladen begonnen zich ermee te bemoeien en op 18 april 1949 werd zelfs door een comité een onderzoek begonnen naar de mogelijkheid om het Amerikaanse Leger aan te klagen. De oorspronkelijke slachting leek te zijn vergeten in een werveling van verklaringen, tegenverklaringen en krantenartikelen. Vervolgens kwam senator McCarthy op het toneel en kreeg de zaak een politiek tintje toen McCarthy in een scherpe aanval het leger veroordeelde. Een onderzoekcommissie van de Senaat keerde terug naar Duitsland en vijf maanden later, op 28 september, werd de hoorzitting ontbonden. Op 25 oktober 1955 werd Dietrich tegen de wil van brigadegeneraal McAuliffe, die toen territoriaal commandant in Duitsland was, vrijgelaten uit de Amerikaanse gevangenis in Landsberg. Generaal McAuliffe had al eerder drie gratieverzoeken van Dietrich afgewezen. Een jaar later op 22 december 1956 werd ook Peiper tegen de zin van het Amerikaans Legioen vrijgelaten.

 

wordt vervolgd ....

 

 

 


Onze partners




Meer links

Please download Flash Player 10 or higher to view this content.

382145 views Battletours, Ardennen offensief
cron