Voorbereidingen

Ardennenoffensief (Wacht am Rhein)

De Duitse plannen

Op 6 juni 1944 waren de geallieerden geland in Normandië. Nadat de troepen vaste voet aan wal hadden gezet  diende een doorbraak te worden geforceerd. Het duurde tot medio augustus  alvorens de initiële bruggenhoofden tot diep in Normandië konden worden uitgebreid. Uiteindelijk, na enkele maanden strijd, was het de 3e Army van generaal Patton gelukt  een gat  in de Duitse linies te slaan en  Bretagne en Centraal Frankrijk binnen te stromen.  De resten van Hitler’s Armee begon zich begin augustus 1944 uit Frankrijk terug te trekken, achtervolgd door de Britten, Canadezen, Fransen en Amerikanen. Er werden wanhopige en bloedige achterhoedegevechten geleverd. Het zou niet lang meer duren of de Duitsers zouden op de knieën gedwongen zijn. Veel materiaal ging verloren. Grote hoeveelheden tanks, kanonnen en voertuigen werden door de Duitse 7e Armee en de  5e Panzer-Armee achtergelaten in de Falaisepocket.
Op 20 augustus 1944 waren deze troepen definitief omsingeld. Het oversteken van de Seine liep voor hen ook niet van een leien dakje. Er was geen samenhang meer tussen de verschillende in verwarring terugtrekkende eenheden.

Hitler wilde vijfentwintig divisies vanuit de Eifel door de dunbezette linies van de Amerikanen laten oprukken naar de Belgische havenstad. Hij wilde door de Ardennen en Luxemburg heen stoten. Met dit manoeuvre wilde hij de bevoorradingslijnen van de geallieerden zwaar verstoren en zeker één derde van hun strijdkrachten omsingelen en vernietigen. Hij geloofde er sterk in dat de geallieerde coalitie op die manier in gevaar zou komen. Hij wilde de Britse en Amerikaanse strijdmachten van elkaar scheiden. Er was maar één zwak punt: de geallieerden beheersten het luchtruim. De Luftwaffe stelde in die dagen niet veel meer voor. Een eventuele aanval naar het noordwesten moest kunnen geschieden bij lang aanhoudend, slecht vliegweer.

Operatie “Wacht am Rhein” werd opgestart. De voorbereidingen en de opbouw van de eraan deelnemende strijdkrachten namen zoveel tijd in beslag dat de hele operatie werd verschoven naar december 1944. De generale staf van Hitler ging er niet unaniem mee akkoord dat de operatie op zo’n grote schaal zou worden uitgevoerd. Het was een groots opgezet plan, maar velen durfden de goede afloop ervan niet te hopen. In de Ardennen waren niet genoeg goede wegen die naar het westen liepen, manschappen waren niet voldoende getraind of waren niet geschikt en zo’n nieuwe Blitzkrieg vergde de inzet van meer troepen dan waarover Hitler nu beschikte. De meest bruikbare wegen liepen van noord naar zuid. Er bestonden wel secundaire wegen, maar dat waren meestal maar verharde zandwegen, die bij regenweer omgetoverd werden tot slijkpoelen.

Het eerste belangrijke doel zou de Maas zijn. Daarvoor moesten er snel gaten worden geslagen in de voorste Amerikaanse linies waardoor dan de achteropkomende pantsereenheden zouden oprukken. Er mocht vooral geen tijd verloren gaan. De bruggen over de Maas waren van cruciaal belang voor het succes van dit offensief, het later beruchte Ardennenoffensief.

Het terrein ten westen van de Maas leende zich beter voor een offensieve, snelle operatie. Langs de andere kant was het juist het ongeschikte aanvalsterrein dat de geallieerden wel eens zou kunnen verrassen. Niemand zou een aanval in deze sector verwachten. Het wegenpatroon was er eenvoudigweg niet geschikt voor. In het grootste geheim werden verschillende pantser- en infanteriedivisies verzameld, niet ver van de Belgisch - Duitse grens.
De Amerikanen hebben het nooit op tijd geweten. Nog steeds rijst de vraag hoe dit mogelijk was.
In het midden van de sector van de 12e Army Group van Omar Bradley lagen de Ardennen.
Sinds half september 1944 was het hier rustig geweest. Er werd van een spookfront gesproken. Een deel van het 1e Army van Lt. Gen. Courtney H. Hodges en het 9e Army van Lt. Gen. William H. Simpson bezetten samen zo’n 64 kilometer.  Ze bereidden zich voor op een aanval naar het Ruhrgebied, het industriële hart van Duitsland. De 3rd Army van Lt. Gen. George Patton bezette op zich alleen al een front van 160 kilometer ten zuiden van de Ardennen. 
De 1e Army bezette slechts met vier divisies een front van 140 kilometer.
Dit waren twee “groene” divisies, de 99e en de 106e, en twee ervaren eenheden, de 28e en de 4e, die echter zware verliezen hadden geleden en nu vervangingen kregen. Er was ook nog een onervaren “groene” pantserdivisie, de 9th Armored Division, waarvan het Combat Command A in linie lag tussen de 28e en de 4e Infantry Divisions in. De twee overige Combat Commands van de 9e Armored Division waren verdeeld over twee korpsen. Bradley vond het een berekend risico om het Ardennenfront dun bezet te houden. Voor het grote deel bestond het Amerikaanse front in de Ardennen uit losse steunpunten die met elkaar in verbinding stonden door patrouilles. Er waren niet genoeg manschappen om een deftige verdedigingslinie op te bouwen. Reserves waren er praktisch niet.
- In het aanvalsplan van Veldmaarschalk Model, “Herbstnebel”, kreeg de 6e Panzer-Armee van Lt. Gen. Jozef “Sepp” Dietrich de voornaamste taak toegewezen. Het zwaartepunt van de aanval zou liggen op de grens tussen het Amerikaanse V Corps en het VIII Corps. Hiervoor moest hij de 99e Infantry Division en de 14e Cavalry Group opzij vegen of vernietigen. 
- Ten zuiden van de 6e Panzer-Armee moest de 5e Panzer-Armee van Lt. Gen. Hasso von Manteuffel het dunne front van het VIII Corps openrijten in de sector van de 106e Infantry Division en deels in die van de 28e Infantry Division.
- Verder naar het zuiden zou het 7e Armee van Lt. Gen. Erich Brandenberger de rest van de 28e Division aanvallen en de 4e Infantry Division.
- De 15e Armee dat in het najaar van 1944 was kunnen ontsnappen aan een dreigende omsingeling door de geallieerden lag ten noorden van de 6e Panzer-Armee. Het moest een tweeledige rol spelen. Het moest de Amerikaanse troepen binden in de sector rond Aachen en moest daarna, op bevel, zuidwaarts aanvallen, nadat de 6e Panzer-Armee door de Amerikaanse linies was gebroken. Daarvoor beschikte Lt. Gen. Gustav von Zangen over zes divisies.

De 6e Panzer-Armee zou in twee golven aanvallen:
In de eerste golf werd het LXVII Korps ingezet bestaande uit 272e en 326e Volksgrenadierdivisies en het I ‘  SS Panzer Korps met de 1e SS en 12e SS Panzer Division, 12e en 277e Volksgrenadierdivision en de 3e Fallschirmjägerdivision.
In de tweede golf plande Dietrich om zijn II SS Panzerkorps in te zetten met de 2e SS en 9e SS Panzerdivisies. De  6e Panzer-Armee was het best bewapende van al de eenheden die deelnamen aan wat later het Ardennenoffensief zou worden genoemd.
Dietrich verwachtte de Amerikanen gemakkelijk te kunnen overrompelen, gezien zijn plaatselijke overmacht van zes tegen één op de zwaartepunten van de aanval. Hij had er het volste vertrouwen in dat op het einde van de derde dag van het offensief de Maas wel zou bereikt worden. Het LXVII Korps kreeg als taak de noordelijke flank van de 6e Panzer-Armee te dekken. Door de beboste heuvels van de Hoge Venen te bezetten, waardoor slechts enkele bruikbare wegen liepen, zouden de toegangswegen vanuit het noorden geblokkeerd worden. In het zuiden moest het I’ SS Korps met zijn drie infanteriedivisies gaten slaan in de Amerikaanse lijnen om zich daarna links op te stellen van het LXVII Korps. De pantsereenheden van het I. SS Korps en het achteropkomende II’ SS Korps zouden dan naar het westen en noordwesten ongehinderd moeten kunnen oprukken, gedekt door de vijf infanteriedivisies die een geallieerde tegenaanval vanuit het noorden konden blokkeren.

Drie typische terreinkenmerken waren van cruciaal belang voor “Sepp” Dietrich:
Elsenborn Ridge”, de “Losheim gap” en de heuvels van de Schnee-Eifel.
- Het door de Amerikanen genoemde “Elsenborn Ridge” betrof een reeks heuvelruggen, zuidelijke uitlopers van de Hoge Venen. Twee geplande opmarsroutes liepen hierdoor, Rollbahn A en B. Rollbahn B was gepland over een weg te lopen door het bos, “Weisserstein trail” genoemd en Rollbahn C liep iets ten zuiden van de deze natuurlijke hindernis over het kruispunt Losheimergraben, Büllingen en Bütgenbach. De 277e Infanteriedivision zou de oostelijke verdedigingsstellingen van “Elsenborn Ridge” aanvallen. De 12e SS Panzerdivision zou dan, na een geslaagde doorbraak uit het bosrijke gebied, naar het westen oprukken over verharde wegen.
- Meer naar het zuiden lag de “Losheim Gap”, militair gezien een ongelooflijke naderingsweg, bestaande uit zacht glooiende heuvels en goede wegen. Deze opening, gelegen tussen “Elsenborn Ridge” en de “Schnee-Eifel”, loopt van het noordoosten naar het zuidwesten. De 6e Panzer-Armee zou met de 12e Volksgrenadierdivision en de 3e Fallschirmjägerdivision het noordelijke gedeelte van deze opening aanvallen. Hier lagen de Rollbahnen D en E. 

Aanvankelijk werden volgende eenheden verspreid over de vijf Rollbahnen:
- Rollbahn A: Dit was de meest noordelijk gelegen weg. Vertrekkend van aan de Hollerather Knie liep deze weg doorheen het Dreiherrenwald en Forst Rocherath naar de tweelingdorpen Rocherath en Krinkelt. Langs hier zou één bataljon van het SS Panzergrenadierregiment 25 oprukken om zo contact te maken met de parachutisten van Oberstleutnant “Freiherr” Von Der Heydte dmv  operatie “Stösser” zouden worden gedropt om de kruispunten in de nabijheid van de Baraque Michel in te nemen en zo eventuele Amerikaanse versterkingen vanuit het noorden tegen te houden.  
- Rollbahn B: liep vanuit de richting Udenbreth, Duitsland in het oosten over Weisserstein naar Mürringen, Bütgenbach en Spa tot aan Flémalle aan de Maas. Hij volgde de Edesbach om dan tevoorschijn te komen langs de westkant van Forst Rocherath in meer open terrein. SS Kampfgruppe Müller kreeg deze weg toebedeeld. De gevechtsgroep van Sturmbannführer Siegfried Müller bestond uit het SS Panzergrenadierregiment 25 zonder dat ene bataljon dat langs Rollbahn A moest oprukken, SS Panzerjägerabteilung 12, een afdeling artillerie en één Pionierkompanie.
- Rollbahn C: Verschillende Kampfgruppen van de 12e SS Panzerdivision moesten hierlangs. Eerst kwam de Kampfgruppe Kühlmann met het SS Panzerregiment 12, de schwere Panzerjäger Abteilung 560, een bataljon Panzergrenadiers van het Panzergrenadierregiment 26, een groep Sturmgeschütze en een Pionierkompanie. Vervolgens de Kampfgruppe Bremer met de versterkte SS Panzer Aufklärungsabteilung 12 en de Kampfgruppe Krause met SS Panzergrenadierregiment 26 minus één bataljon dat aan Kampfgruppe Kühlmann was toebedeeld, een afdeling artillerie, Nebelwerfer, luchtafweereenheden en genietroepen. Ook de staf van de Panzerdivision moest hierover. Rollbahn C liep over het kruispunt Losheimergraben naar Büllingen en Malmédy tot aan Engis aan de Maas.
- Rollbahn D: Eerst kwam de Kampfgruppe Peiper en daarna die van Obersturmbannführer Rudolf Sandig - Kampfgruppe Sandig - met het SS Panzergrenadierregiment 2 minus één bataljon dat bij Kampfgruppe Peiper was ingedeeld, een afdeling artillerie, luchtafweereenheden van de 1e SS Panzerdivision en genietroepen. Over deze Rollbahn moeten ook de staven van de 1e SS Panzerdivision en het I’ SS Panzerkorps oprukken. Rollbahn D liep over Losheim, Lanzerath, Amel en Ligneuville in de richting van Trois Ponts en verder naar Amay aan de Maas.
- Rollbahn E: Over deze Rollbahn zou de Kampfgruppe rijden van SS-Standartenführer Max Hansen - Kampfgruppe Hansen - met het SS Panzergrenadierregiment 1, SS Panzerjäger Abteilung 1, artillerie en een Pionierkompanie gevolgd door Kampfgruppe Knittel met een versterkte SS Panzer Aufklärungs Abteilung 1. Rollbahn E liep over Manderfeld, Andler, Born en Vielsalm naar Huy aan de Maas.
Uit het verdere verloop van de gevechten zal blijken dat niet aan het initiële plan kon gehouden worden. De toegewezen wegen waren niet altijd op tijd vrij en sommige eenheden zouden al eens van hun opgelegde marsroute moeten afwijken.
Het zuidelijke deel van de “Losheim gap” zou door het LXVI Korps van de  5e  Panzer-Armee worden aangevallen. Dit korps moest ook de Amerikaanse troepen die op de Schnee-Eifel lagen, uitschakelen en het vitale kruispunt van St.-Vith innemen. General von Manteuffel wilde een deel van zijn 18e Volksgrenadierdivision, bevolen door Oberst Hoffman - Schönborn, door het zuidelijke deel van de “Losheim gap” laten oprukken om zo achter de Schnee-Eifel te komen en de Amerikaanse 106th Infantry Division af te snijden van haar bevoorradingslijnen.
Het andere deel van de 18e  Volksgrenadierdivision moest langs de zuidelijke flank van de Schnee-Eifel doorstoten om de omsingeling van de Amerikanen te vervolledigen. De 62e Volksgrenadierdivision van Oberst Kittel moest naar St.-Vith opmarcheren.
Ten zuiden hiervan, langs de rivier Our, kregen het LVIII en het XLVII Panzer Korps zwaartepunten toegewezen. Vier van de vijf divisies zaten in de eerste aanvalsgolf.

Elk pantserkorps had één opmarsweg toegewezen gekregen. In tegenstelling tot de tactiek die SS Oberstgruppenführer Dietrich volgde, wilde Von Manteuffel van bij de aanvang van het offensief zijn tanks in de eerste lijn inzetten. Hij vond het tijdverlies om de infanterie de opmarsroute te laten vrijmaken alvorens de tanks erdoor te jagen. De tanks zouden wel snel doorheen de dunbezette posities van de Amerikanen breken. Zo hoopte hij sneller zijn initiële successen te kunnen behalen.
De 116e Panzerdivision en de 560e Volksgrenadierdivision moesten in de noordelijke sector, die van het LVIII Korps, de Our oversteken en drie bruggen innemen die stevig genoeg waren om tanks over te laten. Zo zouden de 106e en 28e U.S. Infantry Divisions gebonden zijn. Ten zuiden daarvan, in de sector van het XLVII Korps, hadden de 2e Panzerdivision en de 26e Volksgrenadierdivision gelijkaardige opdrachten. Zij moesten de Our oversteken en daarna koers zetten naar het belangrijke wegenknooppunt van Bastogne. De Panzer-Lehr Division zou in de tweede golf volgen om zo diepte aan de aanval van het korps te geven. De zuidelijke flank van de 5e Panzer-Armee werd gedekt door de  7e Armee van General Brandenberger met het LXXXV en het LXXX Korps. Het LXXXV Korps moest met haar 5e Fallschirmjägerdivision en 352e Volksgrenadierdivision bruggen over de Our innemen en de 276e en 212e Volksgrenadier-Divisionen zouden een aanvallende beweging maken in de richting van de stad Luxemburg om zo Amerikaanse troepen weg te lokken van de aanval door de  5e Panzer-Armee.

Het begin van het offensief werd vastgelegd op 16 december 1944, 05.30 uur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Onze partners




Meer links

Please download Flash Player 10 or higher to view this content.

409992 views Battletours, Ardennen offensief
cron