Chapter 2: De Amerikaanse oorlogsfilm.

DE AMERIKAANSE OORLOGSFILM

De geschiedschrijving van de oorlogen waarin de Verenigde Staten een hoofdrol hebben gespeeld, is bij uitstek het domein van Hollywood geworden. Weinig genres zijn zo intensief beoefend. In het fraaie boek Hollywood Goes to War staan in totaal 480 Amerikaanse oorlogsfilms opgesomd. En dat boek dateert al uit 1985. Dus een reeks van latere producties, variërend van Platoon en Saving Private Ryan tot Pearl Harbor en Black Hawk Down, is nog niet eens meegeteld. Het aantal niet-Amerikaanse oorlogsfilms verbleekt hierbij. Alleen de Britse filmindustrie kan nog enigszins in de schaduw van Hollywood staan met zo'n vijftig oorlogsfilms. Toch heeft Hollywood de oorlog niet meteen omhelsd als prominent thema. De eerste volwaardige speelfilms waarin oorlogsscènes voorkomen, zijn van Italiaanse en Russische makelij: El Cid uit 1910 en The Defense of Sebastopol uit 1911. De pioniers van de Amerikaanse filmindustrie waren ervan overtuigd dat het jonge medium het publiek zou afschrikken met zware kost, dus al helemaal met geweld en oorlog. De bioscoopbezoekers zouden slechts komen voor amusement en romantiek. En ook niet te lang: speelfilms van meer dan twintig minuten bleven een zeldzaamheid in de begintijd van de Amerikaanse film. Maar er was tenminste één man die zich daar niet bij wenste te leggen: David W. Griffith. In 1915 maakte hij The Birth of a Nation, een drie uur durend epos over twee families die in de Burgeroorlog tegenover elkaar komen te staan. De film is al omstreden geraakt vanwege twee racistisch getinte scènes en de positieve schildering van de Ku Klux Klan. Maar vanuit cinematografisch oogpunt was The Birth of a Nation een ware tour de force. Griffith liet onder meer de slag van Petersburg (Virginia) naspelen, die werd gefilmd met een nog niet eerder vertoonde indringendheid en variatie: beelden van man-tot-man-gevechten, overzichtsshots, bulderende kanonnen, dat alles uitmondend in een dramatisch lang shot van een loopgraaf vol lijken waaruit de arm van een gesneuvelde soldaat steekt. De film bleek een open zenuw te raken in de Amerikaanse samenleving en werd een daverend succes. De producenten, die met knikkende knieën het voor die tijd ongekende bedrag van honderdduizend dollar hadden geïnvesteerd in het project, mochten zich binnen enkele maanden verheugen in een recette van 15 miljoen dollar. Achteraf gezien is de weerklank die The Birth of a Nation vond natuurlijk niet zo vreemd. Per slot van rekening was de Burgeroorlog - volgens sommige historici verhoudingsgewijs de bloedigste oorlog van de moderne geschiedenis - pas vijftig jaar oud. Tegelijkertijd woedde reeds het debat over de vraag of en hoe de VS dienden deel te nemen aan de Great War die was uitgebroken op het Europese continent. In elk geval was in het nog prille Hollywood het ijs gebroken.

Oorlogstaferelen waren niet langer taboe op het witte doek. Een doorbraak die in eerste instantie leidde tot een aantal onvervalste flag wevers, vooral toen in 1917 Amerikaanse troepen de Franse en Engelse linies gingen versterken. Maar het vlagvertoon riep toch ook al snel een tegenbeweging op. Want isolationistische sentimenten bleven latent aanwezig en staken weer met kracht de kop op zodra de oorlog voorbij was. Bovendien oefende de snel groeiende filmindustrie grote aantrekkingskracht uit op jonge schrijvers, cineasten en producenten die vaak zelf aan het front waren geweest en aan die ervaring een minder hoge achting van het militaire bedrijf hadden overgehouden. De ambivalentie tegenover de oorlog weerspiegelt zich in het oeuvre dat Hollywood in een kleine honderd jaar heeft opgebouwd. Het propagandistische werkstuk, vol nobele helden en schurkachtige vijanden, is ruim vertegenwoordigd (ook op het documentaire vlak). Maar de camera is eigenlijk vanaf het begin ook gericht op de achterkant van de heroïek, op de overweldigende impact van oorlog, op het menselijk drama, op de ontberingen, de angsten, de kameraadschap, de verveling, de moeizame verwerking.

Een van de eerste filmmakers die met een andere blik naar de oorlog keek, was Charlie Chaplin. Enkele weken na het einde van de Eerste Wereldoorlog kwam zijn satirische komedie Shoulder Arms in roulatie. Een film zonder superhelden die hun leven wagen voor het lieve vaderland, met eenvoudige mannen die er in de modderige loopgraven het beste van proberen te maken. Onder hen de Little Tramp, die ruimschoots wordt bedeeld met ongemak, maar wie het geluk ook toelacht: vermomd als boom weet hij een Frans meisje te redden en aan het eind beslist hij de oorlog door in z'n eentje de Duitse keizer, de kroonprins en de opperbevelhebber gevangen te nemen. In de originele versie ging Chaplin nog een stap verder en liet hij zijn alter ego voor de betoonde moed fêteren door de geallieerde leiders. Door zijn toedoen raakten zij allemaal hun broeksknopen kwijt, waardoor ze de ceremonie in zeer nederige toestand moesten verlaten. Deze bespotting vonden de producenten toch iets te gewaagd. De film werd in een kortere versie uitgebracht Het succes was er niet minder om. Chaplin zou later in zijn autobiografie met trots vermelden dat hij vooral van ex-soldaten veel complimenten kreeg.  

Tien Amerikaanse oorlogsfilms die je gezien moet hebben:  (volgens het boek: Hollywood goes to War)

• The Birth of a Nation (1915) Regie: David W. Griffith

• Shoulder Arms (1918) Regie: Charles Chaplin

• All Quiet on the Western Front (1930) Regie: Lewis Milestone

• Sergeant York (1941) Regie: Howard Hawks

• The Best Years of our Lives (1946) Regie: William Wyler

• The Longest Day (1962) Regie: Andrew Marton/Ken Annakin

• Patton (1969) Regie: Franklin J. Schaffner

• The Deer Hunter (1978) Regie: Michael Cimino

• Apocalypse Now (1979) Regie: Francis Coppola

• Saving Private Ryan (1999) Regie: Steven Spielberg    

Het zou tot 1970 duren voordat een oorlogskomedie weer zoveel stof zou doen opwaaien (M*A*S*H* van Robert Altman, gesitueerd in de Koreaanse oorlog), maar intussen waren er tal van andere memorabele films die zich onttrokken aan het simpele adagium:'War is a dirty job, but someone's got to do it. Zoals Sergeant York, over een plattelandsjongen die worstelt met zijn pacifistische overtuiging, maar tenslotte toch ten strijde trekt en zich op het slagveld onderscheidt met de elementaire deugden die hij back home in Tennessee heeft geleerd. En The Best Years of Our Lives, een van de meest ontroerende films die Hollywood heeft voortgebracht: over drie mannen die terugkeren uit de oorlog en ieder ervaren dat het leven nooit meer wordt als vroeger. Deze laatste film dateert uit 1946 en de voorbije oorlog was de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog zou nog vele tientallen jaren de verbeelding van cineasten prikkelen en werd de filmoorlog. Deels omdat de oorlog, ondanks de gruwelen, het Amerikaanse geweten relatief het minst belastte, deels vanwege het steeds grotere technische vernuft om het slagveld zo realistisch mogelijk in beeld te brengen. Met als hoogtepunt The Longest Day uit 1962.  

Saving Private Ryan (1998) zou van het Normandische inferno een nog onthutsender kijkervaring maken en de Vietnam-films Apocalypse Now en The Deer Hunter hebben de rauwheid van de oorlog nog scherper getroffen, maar nimmer is een militaire operatie zo omvattend en tegelijk met zoveel oog voor detail verfilmd. Ook niet toen het Pentagon zijn meest geavanceerde materieel ter beschikking stelde om het allemaal nog echter (en manhaftiger) te doen lijken, zoals gebeurde bij Black Hawk Down Vreemd genoeg is het aantal films over de Golfoorlog van twaalf jaar geleden op de vingers van één hand te tellen. Geen ervan heeft een blijvende indruk achtergelaten. Zou het kunnen zijn dat de instant-verslaggeving van de oorlog het gras wegmaait voor de voeten van de flimmakers? Verliest de oorlogsfilm aan betekenis in een tijd dat het strijdverloop thuis van uur tot uur soms zelfs met live-beelden kan worden gevolgd?

American  WWII Movies
Het zou echter duren tot ‘39-’40, het uitbreken van de eerste vijandelijkheden, eer Amerikaanse producties ontstaan met een uitgesproken anti-Duits en antifascistisch karakter. De lokale vertegenwoordiger van Warner Brothers in Berlijn, Joe Kaufman, was reeds in 1936 door nazi-stoottroepen afgetuigd en voor dood achtergelaten. Het incident werd door Warner bijzonder ernstig genomen en het bedrijf voerde sindsdien zowat zijn eigen oorlog tegen het nazisme. Pas in 1939 produceerde het Confessions of a Nazi Spy, een semi-documentaire van Anatole Litvak, en een jaar later Dr. Ehrlich’s Magic Bullet (William Dieterle, 1940), een reactie op Hitlers statement dat elke joodse wetenschappelijke uitvinding waardeloos zou zijn. De alom gekende exponenten van het antinazisme in de VS zijn natuurlijk de meesterlijke satire The Great Dictator van Charles Chaplin (1940) en de schitterende zwarte komedie van Ernst Lubitsch To Be or not to Be (1942), beiden op hun manier immigranten met joodse roots.
Intussen neemt in Europa de oorlogsdreiging vervaarlijk toe. In 1937 brengt Jean Renoir zijn meesterwerk uit, La grande Illusion, met een deels autobiografisch verhaal gesitueerd in de Eerste Wereldoorlog. Een Franse officier zit met een joodse bankier en een mecanicien als krijgsgevangene opgesloten in een Duits fort. In de relaties tussen deze verschillende klassen draait de thematiek rond plicht en geweten, solidariteit en patriottisme, vriendschap en verraad. Pas na de aanval op Pearl Harbor (1941) zou de Amerikaanse publieke opinie een grote ommekeer doormaken pro deelname aan de oorlog. De Tweede Wereldoorlog creëerde bij de Amerikaanse bevolking een gemeenschapsgevoel dat oorlog weer rechtvaardigde. De verschrikkelijke vijand, voor de VS-burger nog meer Japan dan Duitsland, vormde een bedreiging voor de westerse beschaving en diende vernietigd te worden. Anderzijds speelden natuurlijk ook zeer sterk de economische belangen en het beveiligen van de American way of live een rol. In de oorlogsfilms uit deze periode komen deze verzuchtingen van een groot deel van de bevolking sterk tot uiting. Aangezien slechts weinig mensen de oorlog als ongerechtvaardigd of verschrikkelijk aanvoelden, had ook Hollywood geen enkel probleem dezelfde boodschap uit te dragen en de oorlog op zich als een positief gegeven in beeld te brengen. In de jaren ‘41-’42 behandelde bijna één derde van de Amerikaanse films een of ander aspect van de oorlog. Ze verdedigden de Amerikaanse democratische waarden en gingen zo goed als nooit in op de tegenstellingen die de oorlog t.o.v. deze waarden met zich meebracht. Enkele titels: Flight Command (Frank Borzage, 1940), de semi-musical A Yank in the RAF (Henry King, 1941), de sterke actiefilm Dive Bomber (Michael Curtiz, 1941), en natuurlijk het onvolprezen Casablanca eveneens van Michael Curtiz uit 1942, gesitueerd in het door de Duitsers bezette Noord-Afrika, waar de gendarmerie van de Vichy-regering een dubbelzinnige rol speelt. De oorlog werd vaak eerder aantrekkelijk voorgesteld door de vriendschap tussen de soldaten of hun moedig gedrag te beklemtonen. De verschrikkingen, de verliezen, de tragedies werden zoveel mogelijk weggemoffeld. Bovendien boden de meeste films, zoals bijvoorbeeld Sahara (Zoltan Korda, 1943), alweer met Humphrey Bogart en uitgebracht kort na de slag van El Alamein, een waaier aan waarden en tradities door op een wat overdreven manier de etnische en regionale verschillen binnen de Amerikaanse samenleving in elke prent te beklemtonen.
De Amerikaanse eenheden bestaan er meestal uit stereotiepe personages als de Texaanse sniper, de eenzame Latino, de jood of Italiaan uit Brooklyn, de boerenzoon uit het westen. Hun evidente kameraden zijn de Brit, de Soedanees, de Indiër, en de andere geallieerden. Op deze manier wenste men een ideaal beeld te schetsen van de Amerikaanse samenleving en democratie zoals men ze zich voorstelde. De oorlog in de Pacific kwam aan bod met realistische verfilmingen als “Wake Island” (John Farrow, 1942), gebaseerd op ware feiten, Flying Tigers (David Miller, 1942) met John Wayne als dé held van Pearl Harbor, Guadalcanal Diary (Lewis Seiler, 1943) en Bataan (Tay Garnett, 1943), alle vier sterke prenten die verwijzen naar recente gebeurtenissen, of het superheroïsche Objective Burma, waarin Errol Flynn met zijn Amerikaanse kameraden zowat alleen Birma verovert. Het protest van Groot-Brittannië bleef niet lang uit en leidde tot intrekken van de film. Intussen had John Ford, zelf commandant bij de marine, een eenheid opgericht die zou getraind worden voor gevechtsfotografie ‘of waar ze ook dienstig kon voor zijn’. Het resultaat werd de patriottische documentaire The Battle of Midway, waarvan de propagandistische kwaliteiten werden geprezen door het Witte Huis. Een vaderlandslievende film als Gung Ho ! van Ray Enright (1943) confronteert de kijker met een eenheid fanatieke mariniers die als vechtmachines de Japanners te lijf gaan en die als groep een hechte gemeenschap van kameraden vormen. De nadruk wordt gelegd op hun teamwork, maar ook hun bereidheid om hun leven te offeren voor gelijkheid en vrijheid komt uitgebreid aan bod. Een ander voorbeeld uit deze periode is Lewis Milestone’s The Purple Heart  uit 1944. Het verhaal draait rond Amerikaanse piloten die door de Japanners krijgsgevangen gemaakt zijn en die tegen hun bewakers in opstand komen. Hierbij zet de film duidelijk het barbaarse gedrag van de vijand in de verf alsook het ontembare, onoverwinnelijke in de Amerikaanse aard.
Deze tendens vindt men natuurlijk terug in de meeste films die de Tweede Wereldoorlog behandelen, of ze nu in Europa of in de Verenigde Staten gedraaid werden. De vijand wordt gezien als agressief, verwerpelijk en dictatoriaal en dient dus vernietigd te worden. Het is een kwestie van goed en kwaad. Het grootste probleem met deze naïeve voorstelling van de oorlog blijft, hoe wreed de vijand in vele gevallen wellicht ook was, dat de gebeurtenissen hoe dan ook propagandistisch, tendentieus pro-Amerikaans en vooral niet realistisch worden weergegeven. Nog voor het einde van de oorlog ontstaan toch ook enkele meer kritische en waarheidsgetrouwe prenten over de aanslepende wereldbrand. Een eerste voorbeeld daarvan is The Story of GI Joe van William Wellman uit 1945. Deze film brengt de realiteit van de oorlog op een eerlijker manier in beeld.
Het heroïsme en de zoveel andere stereotiepen eigen aan zowat alle WOII-films, is verdwenen en maakt plaats voor een beeld van de Amerikaanse troepen die er niet zo weldoorvoed en gladgeschoren bijlopen. Hun wereld is donker en somber, ze zijn uitgeput en velen van hen worden gedood of gewond. In 1946 tracht ook Milestone, regisseur van het propagandistische The Purple Heart, een film uit te brengen in de lijn van de nieuwe tendens. In zijn A Walk in the Sun belicht hij de angst van de gewone soldaat om te vechten en te sneuvelen. De film blijft echter redelijk sentimenteel en op het grote publiek gericht. In 1945 brengt ook Groot-Brittannië een indrukwekkende oorlogsfilm uit met The Way to the Stars (Anthony Asquith), nog grotendeels tijdens de oorlog gedraaid. Deze eveneens heeft als thema de onzekerheid om in een oorlog te overleven. In het kassucces Battleground (1949) reconstrueert William Wellman de slag rond Bastenaken, ondanks de toegekende Oscars, op weinig overtuigende wijze. Grootse gevechtsscènes zet Allan Dwan dan weer neer in Sands of Iwo-Jima (1949) met John Wayne in de hoofdrol.
Vergelijkt men de sfeer en tendensen van laatstgenoemde films met de evolutie daarvan in de prenten omtrent de Eerste Wereldoorlog, dan valt een grote mate van gelijkenis op wat de opeenvolging betreft van de subgenres in beide gevallen. Zo verschijnt tijdens en na elk van de beide wereldoorlogen telkens eerst een serie films met een uitgesproken propagandistisch en patriottisch karakter, in een latere fase gevolgd door een golf van meer realistische films.
De oorlogsthematiek in de jaren vijftig grijpt meestal echter toch terug naar de Eerste of de Tweede Wereldoorlog, en de gevoeligheid van de heersende oorlog in Korea wordt klaarblijkelijk wat uit de weg gaan. From Here to Eternity (Fred Zinnemann, 1953) en Attack! (Robert Aldrich, 1956) zijn hiervan mooie voorbeelden. Het zijn zeer kritische films. De eerste handelt over een opleidingskamp voor Amerikaanse rekruten, waar ijzeren wetten heersen en waar de kampleiding, het officierenkorps, wordt beschuldigd van beestachtige harteloosheid. Aldrichs Attack! bekritiseert vooral de lichtzinnige manier waarop met de levens van de soldaten tijdens het Ardennenoffensief door de hogere bevelhebbers werd omgesprongen. From Here to Eternity kreeg het groene licht voor steun van het defensiedeparte-ment, maar pas na talloze scriptwijzigingen, terwijl Attack! resoluut geweigerd werd en verstoken bleef van steun. Daardoor kon Aldrich zijn kritische instelling echter volledig behouden. Van alle antioorlogsfilms die in die jaren het licht zagen, was geen enkele zo radicaal en woedend in zijn aanklacht tegen de militaire waanzin als Paths of Glory van Stanley Kubrick (1957). Het verhaal situeert zich in de Eerste Wereldoorlog. Aristocratische officieren, enkel uit op eigen roem, geven het bevel tot een zinloze charge. De manschappen die weigeren aan deze zelfmoordactie deel te nemen worden voor de krijgsraad gedaagd en fungeren als zondebokken voor de militaire nederlaag. In hetzelfde jaar kwam ook de remake tot stand van Ernest Hemingway’s romantische oorlogsdrama A Farewell to Arms (Charles Vidor,1957). Het verhaal, dat speelt in 1915, was voordien in 1932 reeds heel wat mooier verfilmd door Frank Borzage. De Tweede Wereldoorlog levert inspiratie voor grote succesfilms in deze periode. The Battle of the River Plate, in de VS uitgebracht als Pursuit of the Graf Spee, (Michael Powell en Emeric Pressburger, GB 1956) brengt een knappe reconstructie van de oorlog op zee. In semi-documentaire stijl wordt de achtervolging verteld van de geduchte en ongrijpbare Duitse kruiser. De kaskraker van 1957 werd evenwel het Britse superspektakel The Bridge on the River Kwai (David Lean, GB 1957), een morele fabel over krijgsgevangenen in Birma. Ook elders in Europa komt in de jaren vijftig de Tweede Wereldoorlog in een aantal prenten aan bod. Meest bekend zijn wellicht de Duitse films Die letzte Brücke (Helmut Kaütner, 1954) over de partizanenoorlog in Joegoslavië, Hunde, wollt ihr ewig leben (Frank Wisbar, 1958), het melodrama over de duizenden Duitse krijgsgevangenen na de val van Stalingrad, en Die Brücke, een indrukwekkende aanklacht tegen de oorlog van Bernhard Wicki (1959). In de Franse oorlogsfilm wordt de thematiek overheerst door het verzet, de collaboratie en de deportatie. Enkele grote titels uit die tijd: La bataille du rail (René Clément, 1946), Un condamné à mort s’est échappé (Robert Bresson, 1956), Hiroshima mon amour (Alain Resnais, 1959).

 

werk in uitvoering .....


Onze partners




Meer links

Please download Flash Player 10 or higher to view this content.

404740 views Battletours, Ardennen offensief
cron